artikelen over geschiedenis didactiek

Aantekeningen bij de Culturele Revolutie

In zes hoofdstukken geeft Jef Abbeel een schematisch overzicht van de Chinese (anti) Culturele Revolutie.

Chinese (anti-)Culturele Revolutie.

Verloop (1966-1976)

De revolutie zelf begon op 14 april 1966. Op bevel van Mao en met goedkeuring van legerleider Lin Piao, werd het “Dood-aan-de-cultuur-Manifest” (1964) van Madame Mao openbaar bekend gemaakt en begon de Grote Zuivering.

Jiang Qing (= Blauwe Rivier) of madame Mao (1914- 1991) was in het verleden toneelspeelster, maîtresse van de directeur van de toneelschool, 4° vrouw van Mao sinds 1939 (+ moeder van hun ene dochter), zeer machtig tussen 1964/69-1976. Ze was tegen de gematigde Liu, Deng en Tsjoe En-Lai en ze was even aan de macht na de dood van Mao in sept. 1976.

Mao beweerde dat er bourgeois-elementen in de partij zaten die afweken van de maoïstische lijn en die het kapitalisme wilden herinvoeren. Deze “contrarevolutionairen” moesten ontmaskerd en geliquideerd worden door een klassenstrijd.

Eind mei 1966 richtte Mao “De kleine groep voor de Culturele Revolutie” op, ook genoemd “De Kerngroep voor de Grote Proletarische Culturele Revolutie”, om hem te helpen bij de uitvoering. De leiding lag zogezegd bij Madame Mao, samen met Mao’s vertrouweling, vroegere secretaris en partijfilosoof Chen Boda (Tsjen Po-taa) en adviseur Kang Sheng, “expert in zuiveringen”.

Op 13 juni 1966 werden de examens afgeschaft op scholen en universiteiten, de lessen voor lange tijd geschorst, (Zhai, p. 76). Leraren en directeuren werden de eerste slachtoffers van de jongeren. Op alle scholen en universiteiten vonden wreedheden en vernederingen plaats. Ook op de school van Zhai (°1951) werd een Revolutionair Comité gevormd uit leerlingen van 5 en 6. Zhai was erbij. De kritiek van Mao op het onderwijs werd in groep doorgenomen.

 

Tot 1966 was er veel competitie in het onderwijs, veel nationalisme (trots op de Chinese beschaving), geschiedenis bestond vooral uit opstanden van boeren tegen onderdrukkers, alle leraren en leerlingen moesten 1 maand per jaar naar het platteland.


In 1966 werden leraren ervan beschuldigd dat ze op een kapitalistische manier lesgaven en dat ze anti-proletarisch gezind waren en niet in staat om “de 5 granen te onderscheiden” : rijst, tarwe, gerst, sorgum en bonen (Zha, p. 76).

 

Studenten van de universiteit van Peking verfden inkt op de gezichten van leraren en directeurs, folterden hen, verscheurden hun kleren, sloegen, trapten, sleepten hen door de straten.


Vanaf juli 1966 deed Zhai mee aan het beschuldigen van haar klasselerares (84): ze heeft ons volgestopt met kapitalistische ideeën, ze heeft onze gedachten vergiftigd”.


Vanaf aug. 1966 kreeg ze een groen legeruniform van Rode Gardist en deed ze mee aan huiszoekingen (98).
Maar in 1969 werd Zhai zelf aangevallen en naar het platteland gestuurd voor zware arbeid.


In 1972 mocht ze naar de univ. Na de Cult. Rev. noemde men haar generatie de “Verwoeste generatie”. Na haar universitaire studies, mocht ze verder studeren in Canada, waar ze een doctoraat behaalde, (opnieuw) trouwde met een prof en bleef. Scholen en universiteiten werden hoofdkwartieren van de Rode Gardes(97).

Sommige werden in 1970 heropend, maar niet om theoretische kennis op te doen, wel om de studenten binnen te houden, de gedachten van Mao te bestuderen(Kleren, 119-120, Schimmen, 187-195), kritiek uit te oefenen, te discussiëren, voor militaire training en handenarbeid. Deze was gericht op de productie van vlees, katoen en graan.

De studieduur werd beperkt tot 4 jaar in het middelbaar , dan 2 jaar op het veld of in de fabriek  en 2 à 3 jaar aan de universiteit. Enkel kinderen van arme boeren, arbeiders en soldaten kregen nog toegang. Zij kregen ook het toezicht op de universiteiten, i.p.v. de vorige bestuurders. Mao was een selfmade man en jaloers op universitairen. (157, 163, 178).

De onderwijshervorming, die hij al in 1958 en 1959 gepland had, maar die door zijn tegenstanders getorpedeerd werd, was nu verwezenlijkt. Ze zorgde voor 10 jaar stilstand in de wetenschap, geneeskunde, economie.

Het beperkt aantal mensen dat nog les kreeg om opgeleid te worden tot gids of chauffeur, werd zwaar geïndoctrineerd: oude monumenten waren “gebouwd door Mao” enhet vliegtuig was uitgevonden door de onfeilbare CCP (Sch., 73-83).

De persoonsverheerlijking van Mao bereikte een hoogtepunt. Op foto’s werd hij mooier, roder, jonger voorgesteld dan hij was (69 jaar). Zie 16 juli 1966.

Scholieren kregen wedstrijden in snel opzeggen uit het Rode Boekje. “Kampioenen” konden de langste citaten in één adem opdreunen, van voor naar achter en omgekeerd! Zij moesten ook de “klassenvijand” ontmaskeren.

Rond 1972 werden een aantal scholen universiteiten weer geopend, maar met beperkt programma en met docenten die uit de velden teruggeroepen werden, maar bij toerbeurt weer naar het platteland moesten en dan vervangen werden door arbeiders of boeren!

 



Scholieren en studenten kregen meer handenarbeid in de tuinen, velden en fabriekjes van de scholen, moesten stages lopen op het platteland, de gedachten van Mao instuderen, waarbij een arbeider meeluisterde, literatuur werd herleid tot proza en poëzie van Mao, ze konden kiezen tussen Engels en Russisch, ze hadden ook wiskunde, chemie, fysica, landbouw, militaire training, revolutionaire opera’s. Het doel was niet meer : kennis opdoen, maar praktijk. De methode bleef autoritair.

Op 16 juli 1966 zwom Mao in de Yangtze, om te tonen dat hij op zijn 69° nog zeer vitaal was. : deze beelden bereikten heel de wereld. Mar toen Zhai hem zag, vond ze hem bleek en oud. Elk jaar moest dit evenement op die dag herdacht worden door heel de natie, in rivieren of eendenvijvers. Zwembaden waren er nog niet.

Op 1augustus 1966 startte Mao de “Terreur van Rode Augustus”, om de bevolking bang mogelijk te maken, zodat ze zich zouden neerleggen bij de gebeurtenissen. Mao riep de Chinese jeugd op om overal Rode Garde groepen op te richten. De oproep had succes, ook in het leger, bij de fabrieksarbeiders en bij de partijleiding.


De propaganda en de terreur schoten in actie. Mao vroeg de Rode Gardisten, die overal muurkranten hadden opgehangen, om “wreed te zijn en Mao’s vijanden te vertrappen”. Hij betuigde ze daarbij zijn “hartstochtelijke steun” en vroeg de partij om de rode jongens publiekelijk te steunen. Gevolg: Rode Gardisten, geleid door zonen en dochters van hoge functionarissen, gingen onmiddellijk over tot ongekende wreedheden, met folteringen, openbare terechtstellingen en vele zelfmoorden tot gevolg.  President Liu Shaoqi (1898-1969) werkte hem hierbij tegen.

Via premier Zhou Enlai liet Mao hem op 5 augustus 1966 weten dat Liu geen buitenlanders meer mocht ontvangen en niet meer mocht optreden in het openbaar. Het voorwendsel was dat hij in het verre verleden een film had toegelaten(“Een geheime episode aan het hof van de Tsjing”).

Hij kreeg ook andere verwijten: hij was “de Chinese Chroesjtsjov”(130) en “een agent van Tsjang Kai-sjek en van de Amerikanen”(135). En dat zijn vrouw tijdens een staatsbezoek van hun twee aan Indonesië te elegante kledij had gedragen! (264) Mao vreesde dat Liu hem zou aanklagen, zoals Chroesjtsjov Stalin had aangeklaagd. Mao schreef die dag een toespraak tegen Liu, die hij op 7 augustus 1967 zelf voordroeg voor het Centraal Comité, waarbij hij Liu’s val bekend maakte: “De Chinese Chroesjtsjov heeft al zijn functies in en buiten de partij verloren en is voorgoed verwezen naar de vuilnisbak van de geschiedenis” (165).

Liu kreeg eerst huisarrest, dan gevangenis, waar hij in 1969 stierf door gebrek aan medische zorg. In 1980 werd hij gerehabiliteerd door Deng. Het conflict tussen Mao en Liu ging al terug tot 1949-1955, toen Mao meteen coöperaties wou oprichten om de landbouw te collectiviseren, waar Liu zich hevig tegen verzette (122, 170). Maarschalk Lin Piao werd nu nummer 2.

Op 18 augustus 1966 was er een parade van 100.000 Rode Gardisten op het Tiananmenplein. 1 miljoen mensen keken toe en zagen Mao handen schudden. Zhai zag Mao van dichtbij : hij zag er oud, grijs en traag uit (102). Mao en Lin keken en spraken ze toe. Mao riep: “Wees gewelddadig”! Lin riep : “Verpletter de oude cultuur” !

Op 27 augustus 1966 zei Mao tot de nieuwe gezagsdragers : “Peking is niet chaotisch genoeg. Peking is te beschaafd”! Gevolg: door heel China trokken golven van bloedige overvallen op woonhuizen, om alles te vernietigen wat met cultuur te maken had.  De huizen waren soms flatjes van 2 kamers van elk 20 m², zonder keuken, wc of bad.

Jongeren knipten met geweld de mooie lange haren af bij meisjes. Ook de lange broekspijpen werden onder de knie afgeknipt. (Zhai, 107-108). Het Volksdagblad (The People ’s Daily) juichte ze toe als “schitterend”!

Bij de huiszoekingen (110-116) die Zhai leidde, werd alles in beslag genomen dat enige waarde had: geld, juwelen, kunstwerkjes, …
Erger was dat mensen werden kaalgeschoren, beschilderd, geslagen met broeksriemen, uren lang gefolterd werden, bordjes om hun hals moesten hangen met “zwarte bende”, …
Sommigen pleegden zelfmoord, omdat ze misdaden moesten bekennen die ze nooit begaan hadden. Velen werden doodgeslagen: zowel kinderen van 1 maand als ouderen van 80.

Uit de boekhandels verdwenen alle versieringen en boeken van voor de C.R., ca. 10.000 titels, wegens “niet-revolutionair en niet proletarisch”. Bleven over: werken van Mao, Vademecum voor de varkensfokker, verhalen van “proletarische helden”. Idem voor film, opera, toneel. Musea gingen dicht, het personeel moest naar de velden.

In augustus-september 1966 werden alleen al in Peking 33.695 huizen overvallen, telkens met fysiek geweld van de Rode Gardisten tegen de bewoners, 1772 mensen werden doodgemarteld of met dikke knuppels doodgeslagen, zelfs hun eigen leraren en ouders !

 



De periode van augustus-september 1966 met de huiszoekingen (bij 33.600 families in Peking alleen) en martelingen kreeg de naam “Rode Terreur”.  Witte terreur was de naam voor het optreden van Tsjang kai-Sjek tegen leden van de CCP in het verleden.

Mao zei zelf in 1969: wij hebben 46.000 intellectuelen gedood” (Sch., p. 182). Het totale aantal doden van de C.R. is niet bekend. Mogelijk 100.000 of meer.

Miljoenen mensen werden verbannen naar het platteland. Van de 6843 monumenten die in 1958 in Peking nog stonden, werden er nu 4922 gesloopt : tempels, kerken, scholen, !!! = 72 % !

Het gaf de maoïsten de illusie dat ze iets groots verricht hadden: ze hadden de stad bevrijd van het feodale verleden. En Mao had hen gefeliciteerd (Zhai, p. 133)

Er zijn gelijkenissen met het optreden van I.S. in Syrië, dat ook alle monumenten uit de Romeinse en christelijke tijd vernietigd heeft wegens niet-islamitisch.

De Verboden Stad, één van de mooiste bouwwerken ter wereld, bleef gespaard. De Confuciustempel bleef ook gespaard, omdat hij afgesloten was met prikkeldraad en omdat belangrijke militairen erin gehuisvest waren.

Het Zomerpaleis werd helaas geplunderd, maar na de C.R. gerestaureerd. Idem voor de Lamatempel en de 5-Pagodentempel.

Volkswijken en straten moesten plaats maken voor kaarsrechte, brede boulevards, waar Stalinistische massaparades van honderdduizenden mensen konden plaatsvinden. De bogen boven de straten (pailou’s) moesten weg, omdat ze herinnerden aan “feodale en reactionaire keizers of mandarijnen”. (Sch., p. 90). Ook de andere steden werden zwaar getroffen :

Simon Leys bezocht in 1972-1973 vele steden van China, o.a. Kanton, eens de levendige zuidelijke hoofdstad aan de Parelrivier, nabij het kosmopolitische Hongkong en Macao.  De bevolking had zich verzet tegen de komst van de Rode Gardisten, er vonden bloedige gevechten plaats(Sch., 64-..). De monniken van de enige tempel die nog bezocht mocht worden, waren opgepakt en naar de laogai gevoerd, de rijke sculpturen waren vernietigd.

Shanghai was al verdacht in de ogen van het regime wegens teveel buitenlandse invloed. Met 10 miljoen inwoners was het overbevolkt. In 1921 vond hier het eerste congres plaats van de CPC. Hier werden in 1965 de eerste troepen gerekruteerd, maar toen Mao de stakingen liet neerslaan in 1966, werden ze de ergste vijanden van Mao.
800.000 jongeren werden naar het platteland gestuurd, m.n. naar de verre grensprovincie Xinjiang ! De boekenwinkels werden gepluimd zoals die in Peking. (Sch., 123)

Xian werd iets minder toegetakeld, maar ook daar verkeerde de Grote Moskee in erbarmelijke toestand na de doortocht van de Rode Gardisten.(104-105) Nog een geluk dat het grote graf met de Terracottasoldaten pas vanaf 1974 beetje bij beetje ontdekt werd. Tibet werd ook zeer hard getroffen: tempels en kloosters werden massaal vernield.

Shaushan/ Sjausjan, het geboortedorp van Mao in de provincie Hunan(zuiden van Yangtze, NW van Kanton) , kreeg rond 1972 drie miljoen pelgrims per jaar, waarvoor speciaal een spoorlijn en een mooie asfaltweg aangelegd werden(114). Langs deze Heilige Weg staan om de 250 m grote rode borden met citaten van Mao in grote gulden letters. De eendenvijver is omgedoopt in de “vijver waar Mao als kind zwom”, de wei daarnaast is “de wei waar Voorzitter Mao de koeien hoedde”.

Terwijl Mao in 1936 nog aan Edgar Snow (“Red Star over China”) vertelde dat zijn vader een rijke grootgrondbezitter-graanspeculant-onderdrukker was, hangt nu in het museum van Mao een grote foto van de vader als lid van de “werkende klasse”. (Lin Piao daarentegen, die wel een proletarische stamboom had, werd in 1972 door de communistische geschiedschrijving afgeschilderd als een product van de kapitalistische burgerij.
En van Tsjoe En-Lai, afkomstig uit een patriciërsfamilie van mandarijnen, werd in 1972 nu verteld dat hij zonder navel geboren is).

Terug naar 1966, de periode van de proletarische dictatuur (Zhai, 123): de Rode Gardisten hadden de macht, de politie liet hen begaan. De (bijna) hele bovenlaag werd als “dissident” naar speciaal opgezette “kaderscholen” gestuurd op het platteland : in feite waren dat harde werkkampen, waar miljoenen partijleden, dokters, leraren, advocaten, bedrijfsleiders, cultuurhoeders (geleerden, schrijvers, kunstenaars, acteurs, journalisten) … slavenarbeid moesten verrichten in de rijstvelden, (zie Frances Wood en haar medestudenten), woeste gebieden ontginnen, huizen bouwen voor de mensen die (tot ver na 1978) nog in lemen hutten woonden, daar tevreden zijn met het hongerdieet van de boeren en arbeiders, zodat ze leerden weer solidair te zijn met die sukkelaars.

Daarnaast werden ze gehersenspoeld en moesten ze kritiekloos de ideeën van Marx, Lenin en Mao weer instuderen, zich conformeren aan het denken van Mao, en permanent aan zelfkritiek doen door zichzelf te beschuldigen van kakkerlak, profiteur, parasiet, bloedzuiger, hoerenzoon, zoon van kapitalist of intellectueel, geboren uit de uitbuitende klasse. Zhou Enlai had in opdracht van Mao een korte lijst opgesteld van enkele tientallen functionarissen die gespaard moesten blijven.

In 1967 hield China op een normale staat te zijn : alle buitenlandse ambassadeurs werden teruggeroepen (op 1 na: waarschijnlijk Noord-Korea). Bij de slachtoffers hoorde ook Deng Xiao Ping(1904-1997) ,secr.-gen. van de partij en min. van financiën Deng was bekend om zijn uitspraak : Het maakt niet uit of de kat wit of zwart is, als ze maar muizen vangt”.

Vanaf 1967 keerde Mao zich tegen hem (125). Hij vloog van 1967 tot 1971 naar een werkkamp in de provincie Jianxi.


In 1969 publiceerden Rode Gardisten “De misdadigste uitspraken van Deng(185) :

- voor belangrijke beslissingen is een collectief leiderschap nodig; dat mag niet door één persoon.
- het 20° congres van de CPSU heeft ons gewaarschuwd voor verheerlijking van één persoon;
- de klassenstrijd lost interne tegenstellingen niet op;
- de meeste Chinese kapitalisten zijn met niets begonnen en hebben succes gehad door hun eigen energie en aanleg;
- de burgerlijke intellectuelen hebben we nodig om les te geven;
- als voorzitter Mao zegt dat de toestand uitstekend is, heeft hij het niet over de economie: die is erg slecht;
- er zijn te weinig voedingsmiddelen en er is honger door de Grote Sprong; als de boeren individueel meer produceren dan collectief, moeten we dat toestaan.

Al deze uitspraken druisten in tegen Mao!

 


Van 1967 tot 1971 verbleef hij dus in de laogai, in 1973 mocht hij terug aan de macht komen, in 1976 werd hij weer opzij geschoven.

Maar in 1977 kwam hij, na de dood van Mao en Tsjoe Enlai, terug aan de macht. Hij verdreef premier Hua Guofeng, opvolger van Mao,en werd de “primus inter pares” tot aan zijn dood in 1997.

In 1978 beloofde hij de welvaart te verviervoudigen tegen 2000. Dat is hem gelukt. Mao ging ervan uit dat de gewone bevolking en de Rode Gardisten zelf de juiste weg zouden vinden, maar op verschillende cruciale momenten ontspoorde dat en moest hij ingrijpen,

o.a. a) in de zomer van 1966 toen de bureaucraten genadeloos aangepakt werden, (en toen een lijst opgesteld werd van bureaucraten die ze met rust moesten laten),
b) In het najaar van 1966, toen er massale stakingen en militaire muiterijen uitbraken, met onlusten, gevechten van arbeiders tegen Rode Gardisten, ontvoeringen van partijbonzen, aanvallen op kantoren van de CCP,
sabotage van spoorwegen. In de officiële pers heette dit toen : “sabotage van de productie”. In het Westen was dit toen nog niet bekend, maar raakte het nadien bekend door memoires van gevluchte Gardisten en door de boeken van Leys. Maar die berichten werden ondergesneeuwd door de “maoïstische Sängerknaben” of fellow travellers,
die in koor verkondigden dat het Chinese volk “als één man achter Mao stond”, om “een handvol revisionisten te verpletteren”. (Leys, Nieuwe kleren, p. 25).


Op 21 januari 1967 werd de eerste topfunctionaris, de Minister van Steenkool, doodgemarteld.

Tot febr. 1977 waren er dikwijls stakingen.

Vanaf febr. 1967 riep Mao de hulp van het Leger / Lin Piao in:
o.a. in Wuhan was de opstand onderdrukt door kanonneerboten op de Jangtse en door para’s die de stad bezetten en de “1 miljoen helden” ontwapenden (103). Het leger moest telkens de orde herstellen, de verbannen mensen vervangen, toezicht houden op de fabrieken en op het proletariaat.

In 1968 kenden de moordpartijen hun hoogtepunt in iedere provincie, tijdens de campagne : “Zoek de klassenrangen uit”. Er werden 23 etiketten bedacht voor uitstoting. Vele miljoenen mensen moesten worden onderzocht. Opnieuw werden nieuwe “vijanden” “ontmaskerd” en gedood, onder goedkeurend toezicht van de politie.

Op 1 mei 1968 was er , voor het eerst sinds 1949, geen parade op Tiananmen.(146)

In juli 1968 werd het leger uitgebreid met 600.000 man ! (153)

Op 22 dec. 1968 herhaalde Mao dat afgestudeerden en kaders naar het platteland moesten voor heropvoeding door arme boeren.

In 1969 werd Zhai zelf het doelwit van de Rode Gardisten. Ze moest een bekentenis schrijven (137-143). Toen besefte ze dat ze onschuldige mensen had mishandeld.


Op 7 jan. 1969 moest ze naar het platteland, naar een koude hoogvlakte.(176) Haar moeder huilde, zij ook, op de trein naar Yan’an. Daar leefde ze in een boerderij met vieze WC en werd ze heropgevoed door zware arbeid in een steengroeve(188-190). Ze haatte haar zinloos leven. Ze werd ziek, ze was permanent ongesteld, ze kreeg luizen. Door haar medische problemen mocht ze tijdelijk terug naar Beijing(191, 218-219). In juni 1970 moest ze in Yan’an contrarevolutionairen bestraffen (238). In aug. 1970 werd haar vader voor 4 jaar handelsattaché op de Chinese ambassade in Tirana / Albanië. Eerder was hij al naar Europa mogen reizen met een delegatie van import- en exportbedrijven. O.a. naar Londen, waar hij het graf van Karl Marx had bezocht. Haar moeder bleef in Peking.


Zhai werd textielarbeidster in Yan’an: dat was minder zwaar werk dan de steengroeve. In febr. 1971 werd ze gekozen tot lid van het revolutionair comité van de fabriek (250). In de herfst van 1971 mochten de universiteiten weer studenten inschrijven(257-258). Zhai mocht naar de univ van Kanton, voor 3,5 jaar (262). In 1976 studeerde ze af, als ingenieur. Na 7 jaar verbanning keerde ze terug naar huis. In 1977 trouwde ze tegen haar zin. Het was elke dag ruzie. In 1978 werd haar man naar de ambassade in Algiers gezonden. In 1980 mocht Zhai in Canada gaan studeren, waar ze een doctoraat behaalde en met een prof trouwde.

In 1969 was Lin Piao even machtig als Mao. Een demonstratie op Tien-an-men (ten gunste van Tsjoe En-lai) liet hij onderdrukken. En zijn massale repressie kostte in één provincie het leven aan 40.000 mensen (225). Maar in 1970 / 71 werd maarschalk Lin Piao geëlimineerd : zie p. 15.

In 1969 vonden gewapende botsingen plaats tussen grenswachters op een eiland in de Oessoeri.
Rusland bezet(te) delen van China sinds de ongelijke verdragen van de 17° eeuw. Het was de ergste onder de vreemde imperialisten.

Delen van Kazachstan, Kirgistan, Oezbekistan en Turkmenistan hoorden bij China, ten noorden van de Amoer had het 600.000 km² (= 20 x B. !) , ten oosten van de Oessoeri 400.000 (13 x B.). Mao durfde deze gebieden in 1950 niet terug te vragen aan de grote Sovjetbroer.

In 1964, na de breuk van 1961, stelde de SU nieuwe eisen i.v.m. Xinjiang, een gebied met veel grondstoffen en met de Chinese atoomindustrie.

In 1969 werd er gevochten op een eiland in de grensrivier Oessoeri, maar het escaleerde niet. Gelukkig, want het Chinese leger was niet opgewassen tegen het Russische. Overal groef men ondergrondse tunnels tegen een Russische invasie. Ook Zhai deed hieraan mee. In China kwamen wel 400 van de 700 miljoen mensen op straat om te protesteren tegen de Russen. Voor Mao was dit incident een zegen : er was weer eensgezindheid.

Op de nationale feestdag van 1 oktober 1969 vierde men de 20° verjaardag van de VRC. Tsjoe En-lai en Lin Piao spraken toen voor het eerst over vreedzame co-existentie, een woord dat bij Liu Shaoqi nog als misdaad werd aangerekend.

Leys (213-214) beschouwt deze ommekeer als een gevolg van het conflict met de SU en van de dreiging van de SU met de A-bom en hij ziet hierin het begin van de pingpongdiplomatie van 1971! De SU was bereid het conflict bij te leggen, als China Brezjnev en co niet meer uitmaakte voor “bourgeois-revisionistisch” . Maar Mao gaf niet toe.

In 1969 werd de revolutie beschouwd als succesvol voltooid, Mao had de macht weer heroverd en het 9° congres van de CCP bevestigde in april 1969 zijn macht en status:

- Mao was nummer 1, met het recht op een leven van 10.000 jaar, zoals de keizers vroeger.
- Lin Piao was nr. 2, met het recht op een blijvende gezondheid.
- Tsjoe En-lai was nr. 3, maar de nummers 3 e.v. hadden geen van zulke extra-rechten.
- De Culturele Revolutie was “een succes, maar moest toch nog voortgezet worden”.
- Rr werden nog “contrarevolutionaire misdaden, sabotage en plunderingen gemeld. (208-209)
- De werk- en heropvoedingskampen / laogai bleven bestaan tot na 1976: zo werd het kader permanent herinnerd aan de principes van gelijkheid en solidariteit en aan de dreiging met afstraffing en verbanning.

De uittocht van de jeugd naar het platteland bleef voortduren: uit de stad Tientjin werden in 1969 174.000 jonge intellectuelen o.l.v. Rode Gardisten naar woeste uithoeken gestuurd, om er opnieuw opgevoed te worden tussen de arme boeren.(207) De actieve periode duurde minstens tot de dood van legerleider Lin Piao in 1971.

Lin Piao, voorheen “de meest intieme wapenbroeder van voorzitter Mao”, werd in 1970/71 ineens een “ samenzweerder en moordenaar” en beschuldigd van een staatsgreep, met het doel om Mao te doden en op te volgen.

Hij vluchtte met zijn familie naar Mongolië, maar het vliegtuig crashte op 13 sept. 1971. Iedereen was dood.
De Russen, die de ramp onderzochten, beweerden dat het lijk van Lin er niet bij was en dat Lin al in Peking was afgemaakt ! Lin was tussen 1939-1942 en 1951-53 twee keer langdurig medisch behandeld in Moskou, waar men een afdruk had gemaakt van zijn gebit.

Toen heel China al wist dat Lin Piao in ongenade was gevallen, bleef Le Monde, de meest serieuze krant van Frankrijk, verder beweren dat Lin het volledige vertrouwen van Mao genoot en dat al de rest roddels waren van de C.I.A. ‘Sch., p. 33).


De chaos tussen 1971 en1976 (de arrestatie van de Bende van Vier) wordt door de meeste historici ook beschouwd als een onderdeel van de C.R.  1971 was voor China en Mao wel een topjaar : het land werd erkend door de VSA en zijn bondgenoten, waaronder België (25 okt. 1971) en het kreeg in de UNO de plaats van Taiwan, dat van 1949 tot 1971 in de Veiligheidsraad had gezeten !

In 2021 zal de 50° verjaardag hiervan wel uitvoerig gevierd worden !

Van 1974 tot 1976 voerde de Bende van Vier ook nog de anti-Confucius-campagne.

Frances Wood had in 1975-1976 een studiebeurs voor Peking. De ergste periode van de C.R. was toen voorbij, China was erkend door het Westen, er dreven geen lijken meer in de rivieren.

De universiteit van Peking werd toen nog wel bestuurd door arbeiders-boeren-soldaten en het leven was er zeer Spartaans. De studenten, ook de Engelse meisjes, moesten de helft van de tijd gaan werken:
a) in de fabrieken, waar ze onderdelen maakten voor treinen en spoorwegen,
b) in de modderige velden, waar ze rijst leerden planten.
Soms moesten ze om middernacht uit hun bed, om schuilkelders te bouwen tegen nucleaire aanvallen (die nooit gekomen zijn).

De andere helft mochten ze les volgen aan de universiteit. Het programma was beperkt tot :
- Marx en Mao;
- sport : taichi;
- handgranaten werpen;
- een indoctrinerende selectie uit de Chinese geschiedenis.

Na dat jaar keerde ze terug met de trein Peking-Trans Siberische-Moskou-Brussel-Oostende. Ondanks de gebrekkige opleiding, werd ze nadien tot haar pensioen in 2014 hoofd van de afdeling China in de British Library.

Op 8 jan. 1976 stierf Zhou Enlai, premier van 1949 – 1976, China’s meest geliefde politicus en diplomaat. Hij had zich nooit verzet tegen Mao’s Grote Sprong en ook niet tegen zijn Culturele Revolutie. Het volk en Deng wilden hem eren, maar de Bende van Vier verzette zich daartegen.

In april 1976 vond een eerste Tiananmen-incident plaats : volksprotest tegen de C.R., tegen de Bende van Vier die verbood dat Zhou Enlai herdacht werd en die Deng had doen verdwijnen. Mao benoemde Hua Guofeng (i.p.v. vice-premier Deng) en i.p.v. zijn vrouw tot zijn opvolger als premier. Tijdens de C.R. stond Hua aan de kant van Mao en was hij tegen Liu en Lin. Kort voor zijn dood in september 1976, was Mao er heel slecht aan toe: half-verlamd, brabbelend of eerder blaffend, half-doof, bijna sprakeloos en onverstaanbaar, lichamelijk en geestelijk afgetakeld.
De macht kwam dan 4 weken in handen van de Bende van Vier: Madame Mao (Tsjang Tsjing, Tsjang Tsjoen-tsjau, Jau Wen-juan, Wang Hoeng-wen. Hua Guofeng koos na vier weken Bendebeleid de kant van de gematigden (Deng, e.a).

Hij liet de Bende arresteren, ze kregen de doodstraf=levenslang wegens hun onrechtvaardige vervolging van 100.000en onschuldige mensen tijdens de C.R. In 1991 pleegde Tsjang Tsjing zelfmoord in haar cel.

 

Na de arrestatie van de Bende, kwamen de hervormers aan de macht, die o.l.v. de kleine, ketting rokende , maar toch 93 jaar geworden Deng Xiao Ping de orde herstelden, de slachtoffers lieten terugkeren uit de kampen, Westerse bedrijven en wetenschappers binnenlieten om China er weer bovenop te brengen. Deng stak de schuld voor 10 jaar chaos op de Bende van Vier, want Mao was (en is) nog steeds onaantastbaar.

In 1981 kwam hij in conflict met Hua Guofeng; deze verloor en werd opzij geschoven. Deng bleef aan de macht tot hij in 1989 de opstand op Tiananmen liet onderdrukken met tanks. In 1989 / 1993 werd hij opgevolgd door Jiang Zemin.


 

  •  

    u