Stijn Vercruysse (2026). De eeuw van Afrika. Het continent van
de toekomst: over jonge dromen, nieuwe kansen en belangrijke
uitdagingen. Uitgeverij Borgerhoff & Lamberigts, Gent, 23 maart
2026
Paperback, 376 pagina’s, kaart, literatuur, € 29,99 (e-book: €
12,50). ISBN 978-94-934-1019-0;
De eeuw van Afrika. Het continent van de toekomst: over jonge
dromen, nieuwe kansen en belangrijke uitdagingen.
De auteur is VRT-journalist en geëngageerd Afrika-deskundige.
Terwijl velen, net als ik, denken dat de 21ste eeuw de eeuw van
China zal worden, mikt hij op Afrika, wat meteen zijn optimisme
toont.
Inhoud
De eeuw van Afrika. Het continent van de toekomst: over jonge dromen, nieuwe kansen en belangrijke uitdagingen.
Hij
begint met de Trans-Atlantische slavenhandel en komt daar op
terug op p. 59. Hoewel de islamitische slavenhandel richting
Azië veel langer duurde (650-begin 20ste eeuw) en nog twee
miljoen mensen méér transporteerde, 14 miljoen tegenover 12
miljoen, slaagt hij erin deze als minder erg voor te stellen.
Onze schoolboeken zijn daarin even eenzijdig.
Zijn eerste argument om te spreken van de eeuw van Afrika is de demografische groei. Hij ziet de bevolking onder de Sahara verdubbelen tot 3 miljard in 50 jaar en beschouwt dit als een voordeel i.p.v. een risico. In 1960 woonden er ten zuiden van de Sahara 228 miljoen mensen, nu 1,3 miljard, dus zesmaal meer! 38% is jonger dan 15 jaar! In 2100 zal 1 op 3 wereldburgers Afrikaan zijn, vijfmaal zoveel als de Europeanen. Hij legt ook uit waarom Afrikaanse gezinnen veel kinderen wensen: zij werken mee op het land en zorgen later voor hun ouders van wie slechts 20% een pensioen zal hebben. Die 20% lijkt me nog hoog. Bovendien is de kindersterfte hoog, maar die vermindert snel: van 17,7% in 1990 tot 7,1% in 2023. In de EU is dat 0,4%. Het geboortecijfer volgde enigszins: van 6,3 naar 4,1(p. 35).
Het uithuwelijken van zeer jonge meisjes is wel een probleem:
die volgen dan geen onderwijs meer.
De armoede is overal in de wereld gedaald, behalve in Afrika:
daar leven 90% van de allerarmsten (p. 50). Zuid-Soedan is
koploper, ondanks zijn enorme oliereserves. De kwaliteit van het
onderwijs is vaak ondermaats: de overheid spendeert er te weinig
geld aan, deels omdat ze ook te weinig belastingen binnenkrijgt.
De meeste Afrikanen werken namelijk ‘informeel’ en de rijken
ontwijken de belastingen. Eén van de oorzaken is volgens de
auteur de Trans-Atlantische slavenhandel, die volgens hem de
Industriële Revolutie in Engeland en Europa mogelijk maakte (p.
63), een theorie die ik hier voor het eerst lees. In ons land
begon die nl. al rond 1800, hoewel we nooit deelnamen aan die
handel. Bij zijn verslag van de rubbercampagne in Congo spreekt
hij nog over het achterhaalde getal van “5 miljoen doden, de
helft van de bevolking” (p. 64-69), hoewel die campagne slechts
in een klein deel van Congo plaatsvond en er vele doodsoorzaken
waren. Hier toont hij zich meer activist dan journalist.
Gelukkig geeft hij wel toe dat de blijvende armoede van het
potentieel zeer rijke Congo en Nigeria ook veroorzaakt wordt
door hun leiders, die de rijkdom voor zich houden. En gelukkig
zijn er ook landen zoals Botswana, Ethiopië, Kenia en Ghana die
wel vooruitgang maken.
De arbeidsmarkt in Afrika bestaat voor 85% uit ‘informele
economie’, zwart werk dus. Slechts 6,7% is totaal werkloos. Elk
jaar zouden er 15 à 24 miljoen jobs moeten bijkomen om in 2035
aan iedere jongere werk te bezorgen (p. 81-85). Afrika voert
voor 65 miljard dollar per jaar voedsel in, terwijl 60% van de
mondiale landbouwgrond ongebruikt in Afrika ligt.
Een bedrijf oprichten is heel moeilijk: banken verstrekken niet
graag leningen. En de overheid zorgt niet of heel traag voor
elektriciteit, internet, goede wegen etc. Gelukkig zijn de
Afrikanen inventief en vinden ze van alles om te overleven.
Afrika wordt het meest getroffen door hongersnoden. Hij noemt de
Ethiopische van 1984-1985 en de Somalische van 2011, maar
vergeet die van Biafra (Nigeria) met 1 miljoen doden in 1968. De
oorzaak lag bij de politieke leiders en voor Somalië ook bij de
terreurgroep Al-Shabaab, niet bij een graantekort. Eén op vier
Afrikanen heeft niet elke dag iets om te eten en 20,4% , 300
miljoen, zijn chronisch ondervoed. Afrika blijft het continent
van de honger, die van moeder op kind doorgegeven wordt. Door
een gebrek aan jodium bij de moeder, worden de kinderen geboren
met een laag IQ (p. 112-138).
De landbouw is goed voor 30% van de Afrikaanse economie. 50% is
boer of boerin en nog eens 20% is actief in de
landbouwproductie. Toch importeert Afrika jaarlijks voor 65
miljard dollar aan voedsel! De productiviteit is vergelijkbaar
met Europa in de Middeleeuwen (p. 147-155).
Congo importeert drie vierde van zijn voedsel, terwijl het 80
miljoen hectare vruchtbare landbouwgrond bezit. 60% daarvan
wordt er niet voor gebruikt. Zoals gewoonlijk wijst de auteur de
kolonisatie aan als eerste oorzaak, hoewel die al 66 jaar
voorbij is (p. 149-152). Een belangrijkere oorzaak is het gebrek
aan investeringen in irrigatie en het feit dat het aantal
tractoren nog hetzelfde is als in 1960, met dit verschil dat de
meeste nu werkloos staan te wachten op onderdelen (p.155-158).
De 700 miljoen boeren kunnen hun oogst enkel verkopen in hun
eigen omgeving door gebrek aan wegen en aan koelwagens. 25%
wordt verwoest door knaagdieren of door slechte opslag. En als
er al een degelijke weg is zoals de Central Corridor in
Tanzania, dan staan er om de 10 km corrupte politieagenten die
je moet omkopen (p. 159). Kunstmest is te duur en wordt dus te
weinig gebruikt. En door de klimaatverandering warmt de Sahel te
snel op en zal er te weinig regen zijn, waardoor de
landbouwopbrengst zal dalen met 2% (p. 163).
Door de afwezigheid van elektriciteit, kookt men op hout of
houtskool, waarvoor miljoenen bomen gekapt worden, waardoor de
kale gronden toenemen. Met agro-ecologie zou er meer voedsel
geproduceerd worden. Men bouwt nu een 8.000 km lange en 15 km
brede muur van bomen om de woestijn tegen te houden, maar de
bouw verloopt zo traag dat het meer dan 100 jaar kan duren
voordat die groene muur er helemaal staat (p. 168-169).
Een delicaat onderwerp is migratie. Nogal wat, maar lang niet
alle Afrikaanse jongeren willen naar Europa, dus naar de
voormalige kolonisatoren, niet naar Rusland of China. Vercruysse
verklaart het verschil tussen migranten en vluchtelingen, praat
met smokkelaars en beweert dat de dure migratie-deals de
toevloed niet doen afnemen. Hij beweert dat meer welvaart tot
meer migratie leidt en dat daarom de volgende halve eeuw het
tijdperk van de Afrikaanse migratie wordt. Nadelen zoals
criminaliteit, aanslagen, overvolle gevangenissen, neergang van
ons onderwijs ziet hij niet.
Hij pleit voor blijvende ontwikkelingshulp: die zorgt voor meer
vaccinaties, minder kindersterfte, meer scholieren. Helaas zijn
er ook landen zoals Zuid-Soedan, dat ondanks 8 miljard dollar
hulp geen enkele vooruitgang maakte: 91% is daar extreem arm,
80% is analfabeet, het BNP is gehalveerd sinds de
onafhankelijkheid. Het geld wordt uitgegeven uit aan onbekwame
ambtenaren, 800 generaals en 250.000 militairen (p. 213-224).
Nu de Amerikaanse hulp is weggevallen, beseffen Afrikaanse
landen dat ze zelf meer belastingen moeten innen en dat duurzame
ontwikkeling van binnenuit moet komen.
De industriële productie in Afrika is beperkt tot 2% van de
wereld: nergens zijn zo weinig fabrieken. Grondstoffen zoals
olie en katoen worden nu geëxporteerd en keren terug als benzine
en kledij. Oorzaken zijn de lage kwaliteit van het onderwijs
(die de schrijver ook aantoont) en van de infrastructuur en het
gebrek aan een grote afzetmarkt. Hij zegt er niet bij waarom de
Chinezen het katoen liever in China verwerken dan in het
goedkopere Afrika, waar mensen 12 u per dag in textielfabrieken
werken voor 30 à 60 euro per maand (p. 247-249). Geschoolde
arbeiders vinden is moeilijk door de slechte onderwijskwaliteit.
De Afrikaanse Vrijhandelszone AfCTA, opgericht in 2018, zou de
onderlinge handel moeten stimuleren, maar er zijn nog altijd
invoerheffingen, dus nog geen vrijhandel (p. 252-259).
Een voordeel voor Afrika is wel de aanwezigheid van veel
‘groene’ grondstoffen zoals kobalt en lithium en van het meeste
potentieel aan zonne- en windenergie. Congo bezit 48% van de
kobaltreserves en 13% van de waterkracht. Nu hebben 600 miljoen
Afrikanen, bijna de helft dus, geen elektriciteit, ondanks dat
potentieel. Een andere troef is het Congolese regenwoud, de
grootste groene long van de wereld.
China is alomtegenwoordig, domineert de mijnbouw, bouwt de
meeste infrastructuur. Meer dan 10.000 Chinese bedrijven zijn
actief in Afrika. Het geeft geen geld, het leent het uit.
Terugbetalen is vaak een probleem. De auteur heeft veel lof voor
de Chinezen.
Op p. 275 zegt hij dat China de mijnbouw domineert, op p. 283
dat het slechts 8% van de mijnbouwproductie in handen heeft en
pas vijfde staat na de VS, Australië, Canada en het VK. De
strategische grondstoffen koper en kobalt heeft China alleszins
in handen en het is als land de belangrijkste handelspartner. De
EU als blok komt aan een nog groter getal: 350 tegenover 300
miljard (p. 287).
China vergroot ook zijn militaire aanwezigheid, soms samen met
Rusland. Ze steunen dictators die hun eigen burgers afmaken.
Hopelijk gaan ze ooit Al Qaeda, IS, Boko Haram en Al Shabaab
bestrijden.
De EU probeert met zijn ‘Global Gateway’ te antwoorden op de
Nieuwe Zijderoute. Maar Afrika houdt niet van de Europese
voorwaarden omtrent mensenrechten en milieu.
Na de EU, China en de VS zijn de VAE/Verenigde Arabische
Emiraten de belangrijkste investeerders in Afrika. De
havenbedrijven van Dubai en Abu Dhabi beheren meer dan tien
Afrikaanse havens. Helaas investeren ze ook in oorlogen en zijn
er ruim 26.000 Afrikaanse bedrijven geregistreerd in Dubai om in
eigen land geen belastingen te moeten betalen. En rijke
Afrikanen kopen er onroerend goed.
De Afrikaanse leiders tonen op klimaatconferenties en elders hun
herwonnen zelfvertrouwen. Ook in de Oekraïne-oorlog, waar ze de
kant van Rusland kozen. Nogal wat Afrikanen, o.a. duizend
Kenianen, zijn mee gaan vechten, maar zijn grotendeels
gesneuveld (DM, 14.04.26).
Oorlogen veroorzaken armoede en ellende in 15 van de 44 landen.
Vercruysse geeft het voorbeeld van Abiy Ahmed Ali, premier van
Ethiopië, Nobelprijswinnaar van de vrede in 2019, die in
november 2020 binnenviel in Tigray en er een etnische zuivering
hield. In 2 jaar tijd vielen er 250.000 à 600.000 doden. Die
oorlogen krijgen te weinig media-aandacht. Oost-Congo hoort daar
al 30 jaar bij. Rebellen en Rwandezen roven er de streek leeg.
Vercruysse wijst opnieuw naar de kolonisatie als één van de
oorzaken (p. 317), maar vergeet dat er tijdens de kolonisatie
geen oorlog was en Rwanda geen grondstoffen kwam stelen in
Congo. Idem voor de stammenoorlogen in Kenia in 2007 en 2008.
Mali, Burkina Faso, Niger, Somalië worden al jaren zwaar
getroffen door islamitische terroristen. Al-Shabaab krijgt zelfs
drones en raketten van de Houthi’s in Jemen. En IS heeft nu zijn
hoofdzetel in Puntland (Noord-Oost-Somalië). In Nigeria
ontvoeren Boko Haram en IS duizenden kinderen, in Mozambique en
Zuidelijk-Afrika zijn de jihadisten ook actief. Nergens slaagt
de VN-vredesmacht van 46.000 soldaten er nog in de bevolking te
beschermen. De enige oplossing is dat de regeringen met de
jihadisten gaan praten zoals de katholieke en protestantse kerk
in Congo deden met de rebellen. Maar de Congolese regering en de
internationale gemeenschap negeren dat kerkelijk initiatief.
Afrika blijft het continent met de meeste oorlogen (uiteraard
weer “door de koloniale tijd”), maar in het grootste deel heerst
er vrede, aldus de optimistische auteur (p.330-335).
Het laatste hoofdstuk handelt over goed bestuur. De
ongebreidelde corruptie is de grootste hindernis en de oorzaak
van 140 miljard dollar verlies per jaar. Hoe armer het land, hoe
meer corruptie, met Zuid-Soedan op kop. In Kinshasa verdienen
politieagenten en hun oversten veel geld met
pseudo-snelheidscontroles, zelfs als auto’s stil staan in de
eindeloze files (p. 339-346).
Gelukkig zijn er volgens Vercruysse ook voorbeelden van goed
bestuur zoals Oeganda, Ivoorkust, Tanzania, Rwanda, Botswana. Of
Museveni, dictator -voor-het-leven bij goed bestuur hoort,
betwijfel ik. En Rwanda dankt zijn welvaart aan de diefstal van
mineralen uit Oost-Congo, waar het de rebellen steunt die er
moorden en verkrachten.
In 2019 waren er meer democratieën, maar door negen militaire
staatsgrepen zijn er nu meer dictaturen. Ook zij werken de
corruptie, armoede, terreur niet weg, ze sturen de Fransen naar
huis en ze krijgen steun van o.a. Rusland, dat in Mali een
bloedbad aanrichtte op ongeveer hetzelfde moment als in Boetsja
(maart 2022, p. 348-355).
Positief is wel dat jongeren met gevaar voor eigen leven in
Kenia, Tanzania, Gambia, Oeganda, Nigeria en Congo de straat op
gaan tegen de wantoestanden (p. 360-364).
De schrijver blijft positief tot het einde. Hij ziet vooral
vooruitgang en potentieel, veerkracht en creativiteit. We hopen
dat hij gelijk zal krijgen.
Beoordeling
Vercruysse slaagt er perfect in de officiële statistieken te
toetsen aan en te combineren met zijn eigen ervaringen in
diverse Afrikaanse landen. Zijn boek is helder gestructureerd,
met in elk hoofdstuk verwijzingen naar andere hoofdstukken waar
een onderwerp uitgebreider aan bod komt.
Het is een zeer leerrijk boek van een enthousiaste man, dat we
zeker kunnen aanbevelen. Bij een groot publiek is de interesse
voor Afrika niet groot genoeg, mede omdat het nieuws uit Afrika
bij de meeste tv-zenders geen prioriteit is. In dit boek kun je
lezen hoe het dagelijks leven in Afrika eruit ziet, hoe
Afrikanen overleven. Ik heb heel wat feitenkennis opgedaan, maar
me wel geërgerd aan de eenzijdige interpretatie als zouden bijna
alle problemen het gevolg zijn van de kolonisatie, die al 66
jaar voorbij is. Hij noemt ons systematisch ‘wit’: mijn duiven
zijn zo, wij zijn eerder blank.
In 1960 stond Afrika er beter voor dan China, dat langer
gekoloniseerd is: van 1839 tot 1945. Mao maakte het dan nog wat
erger met zijn verwoestende Grote Sprong Achterwaarts en zijn
Anti-Culturele Revolutie, maar na 1978 is het er bovenop gekomen
en grotendeels op eigen kracht en zonder honderden miljarden
ontwikkelingshulp nummer twee van de wereld geworden.
Een paar opmerkingen: Vercruysse schrijft dat Afrika het snelst
groeit. Globaal gezien is dat juist, maar bij de 15 snelst
groeiende landen staan er (slechts) 8 uit Afrika (Visual
Capitalist, 06.04.26).
Qua staatsgrepen en militaire dictaturen staat Afrika wel
bovenaan. De zogenaamde vrijheidsstrijders van de jaren 60
werden nadien dictator voor het leven, met het argument van
kapitein Ibrahim Traore in Burkina Faso: democratie is niet
geschikt voor ons land (Athera, 06.04.26).
Op p. 30 zegt hij dat Nigeria in 2100 met 400 miljoen inwoners
nummer 2 zal zijn na India. Hij vergeet China, dat dan nog wel
een miljard inwoners zal tellen.
Bij de vele statistieken had ik graag wat meer vergelijkingen
gezien met 1960, b.v. hoeveel procent van de bevolking was toen
ondervoed? Hij zegt wel dat Afrika in 1960 200.000 tractoren
telde, Azië slechts 120.000. Maar nu zijn er in India alleen al
2,6 miljoen, terwijl Afrika er nog even weinig telt als in 1960.
Bovendien staan de meeste nu te wachten op onderdelen. Een
verklaring voor deze stilstand/achteruitgang geeft Vercruysse
niet.
Bij de literatuur (p. 375-376) mis ik de boeken van de Congolese
historici Jean-Pierre Nzeza Kabu Zex-Kongo en Marcel Yabili, die
anders oordelen over de kolonisatie dan Vercruysse.
Tenslotte nog een paar details: 1863 is 11 jaar na 1852, geen
“13” (p. 11). “Ikzelf” op p. 36 moet ‘mijzelf’ zijn als lijdend
voorwerp. Op p. 278 zegt hij: “De Chinezen roofden Afrika niet
leeg zoals de Europeanen”. Maar ze eisten wel overal in Azië en
Afrika dat de vorsten en stamhoofden belastingen betaalden aan
hun keizer! En ’t Is te zeggen (p. 359) is een gallicisme voor :
‘Dit wil zeggen’.
© Jef Abbeel, april 2026
www.jefabbeel.be




