Linda
Jaivin(2025). De kortste geschiedenis van China. Uitgeverij De
Bezige Bij, Amsterdam/Standaard Uitgeverij, Antwerpen, april
2025. Vertaling van ‘The Shortest History of China’ (2021) door
Pon Ruiter.Paperback, 320 pagina’s, tijdbalk, kaartjes, foto’s,
literatuur, noten, register. ISBN 978-94-031-3545-8; € 26,99.
De kortste geschiedenis van China
De schrijfster (°1955) is een Australische sinologe, geboren in
de VS, met Joods-Russische roots. Ze heeft lang in China gewoond
en ze bewondert de grandeur van het land. Ze begint met een
algemeen profiel van China en enkele indrukwekkende prestaties,
o.a. de Nieuwe Zijderoute, het meest ambitieuze
infrastructuurproject uit de geschiedenis.
Inhoud
De kortste geschiedenis van China
Haar verhaal start in het verre verleden, 13.000 jaar geleden,
met de landbouwbeschaving rond de Gele Rivier. In 3630 v.C. werd
er al zijde geproduceerd. De oudste teksten dateren van 1500
v.C.
Vanaf de Zhou-dynastie (771-221 v.C.) wordt het concreter. Sunzi
/Sun Tzu (544-496) schreef toen ‘De kunst van het oorlogvoeren’
en zijn tijdgenoot Confucius (551-479) was één van de
toonaangevende filosofen.
Legalist Hanfeizi (280-233) zei toen al dat de mensen elkaar in
het oog moeten houden en dat het regime het juiste gedrag moet
belonen en het ongewenste bestraffen, een verre voorloper dus
van het huidige Sociaal Kredietstelsel.
Vanaf 221 v.C. bestuurden de Qin de eerste eenheidsstaat. Die
omvatte slechts éénderde van het huidige grondgebied. Zij
bouwden de Grote Muren tegen de Hunnen en het terracottaleger,
ze voerden dezelfde maten in, standaardiseerden de schrijfwijze
van de karakters, ze verkozen de strenge wetten en de zware
straffen van de legalisten boven de leer van Confucius, maar ze
dwongen Hanfeizi wel tot zelfmoord.
Ze werden bekend om de uitspraak “Verbrand de boeken en begraaf
de geleerden” (p. 46). Mao zei in 1958: “Qin Shihuang heeft
slechts 460 Confucianen levend begraven, wij 46.000. Wij zijn
dus 100 keer zo groot als Qin.“ (p. 47).
Tijdens de Han (202 v.C.-220 n.C.) werd in 129 v.C. een
volkstelling gehouden: het rijk telde 36 miljoen inwoners, van
wie slechts 2% in de steden woonde (p. 55). Chinezen vonden
allerlei nuttige zaken uit, o.a. papier, kompas, drukkunst,
buskruit. Daarna volgde een periode van wanorde en oorlogen
(220-618). Rond 589 werd wel het Grote Kanaal aangelegd, het
oudste en langste ter wereld, 1.794 km, dat Beijing verbond met
Hangzhou. Twee van de vijf miljoen arbeiders kwamen daarbij om
(p. 79).
De Tang (618-907) zorgden opnieuw voor tijdelijke welvaart.
Tibet vormde toen een militaire bedreiging voor China, dat in
754 tussen de 53 en de 70 miljoen inwoners telde en daarmee het
volkrijkste land ter wereld was. Chang’an, nu Xi’an, was één van
de rijkste hoofdsteden ter wereld. Koreanen, Vietnamezen en
Japanners namen het Chinese schrift over (p. 88). Tweeduizend
dichters schreven samen 50.000 gedichten (p. 90).
Tijdens de Song (960-1279) groeide de bevolking tot 90 à 100
miljoen inwoners (p. 100 en 107). Het voetjes inbinden vanaf 5
jaar werd bedacht om de mobiliteit te beperken van de
‘gevaarlijk wellustige vrouwen’ (p. 111). Een andere versie is
dat de meisjes met lotusvoetjes van 8 à 12 cm mooier waren.
De Mongolen (1271-1368) waren de eerste buitenlandse
overheersers. Vanaf 1215 viel Djenghis Khan binnen, met vele
doden als gevolg. In 1271 vestigde zijn kleinzoon Kublai Khan de
Yuan-dynastie. De huidige munteenheid heeft er niets mee te
maken. De Yuan bedachten het papieren geld, een paar eeuwen voor
de Europeanen (p. 122). De pest (1331 e.v.) doodde miljoenen
mensen, net zoals in Europa (1348 e.v.).
In 1368 kwamen de Ming aan de macht. In 1421 werd Beijing hun
hoofdstad. Zheng He leidde zeven expedities naar Oost-Afrika
(Mombasa). In 1433 stopte hij ermee, wellicht omdat ze te veel
geld kostten (p. 133). De keramiek uit Jingdezhen was van
topklasse (p. 136). In 1600 telde China ca. 150 miljoen
inwoners, meer dan heel Europa (p. 144). Jaivin legt niet uit
waarom het er in 1644 dan slechts 100 miljoen waren.
In 1644 kwamen de noordelijke Mantsjoes/Qing aan de macht. Zij
waren met minder dan een miljoen op een bevolking van 100
miljoen. Alle mannen moesten hun hoofd kaalscheren en een staart
dragen. Wie weigerde, kreeg de doodstraf. De Chinezen vonden dat
een zware vernedering. Desondanks noemen ze enkel de periode
1839-1949 ‘de eeuw van de vernedering’.
Rond 1680 brachten de Qing Taiwan binnen hun invloedssfeer. De
jezuïeten speelden een belangrijke rol aan het hof van keizer
Kangxi (1662-1722). Maar de paus werkte hen tegen en in 1724
werd het christendom verboden. Keizer Qianlong (1735-1796)
verdubbelde de oppervlakte door Binnen-Mongolië en Xinjiang te
veroveren. Vanaf 1820 werden er al kolonisten naar Xinjiang
gestuurd. Door de export van thee, zijde en porselein kwam er
veel zilver in de schatkist. In 1776 telde China meer dan 300
miljoen inwoners (p. 155). In 1793 ondervond Lord Macartney dat
de Chinezen niet geïnteresseerd waren in Europese producten. Al
vanaf 1729 importeerden de Britten opium vanuit India, in
1839-1842 en 1856-1860 voerden ze hun Opium-oorlogen (p. 158) en
legden ze China hun ‘Ongelijke Verdragen’ op. De bloedige
Taiping-opstand van 1853-1864 tegen de Mantsjoes werd
onderdrukt. Volgens Jaivin sneuvelden toen 20 à 30 miljoen
mensen, veruit het grootste aantal van de 19de eeuw (p. 162).
Britse en Franse troepen verwoestten in 1860 het
Yuanmingyuan-paleis (p. 163). De Russen stichtten Vladivostok op
Mantsjoe-gebied. Ze hielden zich niet aan het grensverdrag van
1689. Na een serie moslim-opstanden heroverden de Qing in 1876
Xinjiang (p. 165).
Maar in 1894-1895 versloeg Japan de Qing en veroverde het Korea
en Taiwan. De pest van 1894 zorgde wereldwijd voor 15 miljoen
doden en anti-Chinese gevoelens, zoals in 2020 met corona (p.
167). In 1898 onderdrukte keizerin Cixi een hervorming die
Chinese vrouwen meer rechten wou geven (p. 168). Die kregen ze
pas in 1949.
De Bokseropstand van 1898-1901 was gericht tegen buitenlanders,
ook tegen de missionarissen. Vele Chinese christenen werden
gedood. In 1905 versloeg Japan Rusland en bezette het
noordoosten van China. In 1911-1912 werd keizer Puyi afgezet en
de republiek uitgeroepen. Sun Yat-sen werd president, maar was
niet opgewassen tegen de chaos. In Versailles werden de Duitse
concessies toegekend aan Japan.
De 4 meibeweging van 1919 verzette zich tegen de Chinese
regering, tegen Japan en tegen Versailles. In 1921 werd de
CCP/Chinese Communistische Partij opgericht door Mao e.a. In
1926 greep Chiang Kai-Shek de macht. In 1927 slachtte hij 70.000
communisten af. Andere bronnen spreken over 5.000 à 10.000
doden. In 1934-1935 hield Mao zijn Lange Mars. In 1937 viel
Japan binnen. In Nanjing werden een paar honderdduizenden
afgeslacht en/of verkracht. En in Mantsjoerije voerden ze
medische proeven uit. Op 2 september 1945 gaf Japan zich over,
na de atoombommen van 6 en 9 augustus. Deze ‘overwinning’ werd
op 3 september 2025 herdacht met een grootse en afschrikwekkende
militaire parade.
Op 1 oktober 1949 kwam Mao aan de macht. China telde toen 583
miljoen inwoners, van wie 89% op het platteland woonden en 80%
analfabeet waren (p. 218). Alle gronden en bedrijven werden
staatseigendom. Xinjiang en Tibet werden opnieuw onderworpen. In
1950 stuurde Mao 3 miljoen ‘vrijwilligers’ om de Amerikanen uit
Noord-Korea te verjagen. Iedere Chinees kreeg een
‘klassenstatus’ zoals ‘arme boer’ of ‘contrarevolutionair’. Van
de laatste soort werden er 2 miljoen geëxecuteerd. Iedereen
kreeg een geheim dossier met allerlei gegevens. Dit is de
laatste jaren verder uitgebreid. In 1952 was het bbp per persoon
per jaar 54 $ of 4,5 $ per maand. In 1956 was dat 75 $ of 6,25 $
per maand. Vrouwen kregen gelijke rechten, maar nooit een plek
in de top van de CCP. Intellectuelen werden door Mao vernederd.
1 miljoen van hen durfden in 1956 kritiek te uiten op de wrede
zuiveringen en op de corruptie. 0,4 miljoen vlogen naar slopende
werkkampen (p. 220-221).
In 1958 volgde de ‘Grote Sprong naar de Hongersnood’. China zou
Groot-Brittannië voorbijsteken en de VS inhalen (p. 222). Het
werd een drama. Tientallen miljoenen mensen stierven van honger.
In Tibet kwamen er honderdduizenden om, deels door de honger,
deels door de onderdrukking van de opstand. Minister van
Defensie Peng Dehuai waarschuwde Mao. Hij kreeg huisarrest (p.
222-224). Jaivin vermeldt er niet bij dat hij gedegradeerd werd
tot riolenreiniger en dat hij tijdens de Culturele Revolutie zo
gemarteld werd dat hij niet meer kon spreken en enkel via een
infuus kon eten.
Bij de tiende verjaardag van de Volksrepubliek werd Puyi
vrijgelaten. Hij werd tuinman in de botanische tuinen van
Beijing.
In 1966 lanceerde Mao zijn Culturele Revolutie: leraren,
schoolbestuurders etc. werden door Rode Gardisten van 12 tot 25
jaar aangevallen en gedood. Ze verwoestten kerken, tempels,
moskeeën en ook de graven van de Jezuïeten. In Beijing
sneuvelden 4.922 van de 6.843 of 72% van de erkende monumenten
(p. 232). In 2016 werd de 50ste verjaardag niet gevierd.
In 1971 kreeg China zijn plaats in de VN. Nixon erkende in 1972
dat Taiwan een onderdeel is van China. Op 9 september 1976
stierf Mao. Hua Guofeng volgde hem tijdelijk op. Vanaf 1978 had
Deng de macht. Hij moderniseerde het land, maar de aanhangers
van democratie zoals Wei Jinsheng kregen 15 jaar cel (p.
244-245). In 1980 leefde nog 90% van de 981 miljoen inwoners op
of onder de armoedegrens van 2 $ per dag. De CCP voerde dan het
éénkindbeleid in. Dat ging gepaard met gedwongen abortussen,
sterilisaties en het doden van meisjesbaby’s (p. 246).
De betogingen op Tiananmen verstoorden het bezoek van
Gorbatsjov, de eerste Sovjetleider die China bezocht sinds 30
jaar. Op 3-4 juni opende het leger het vuur en doodde ca.
duizend mensen in Beijing, vooral in de straten naar het plein
en honderden in andere steden. Maandenlang bleef de politie
mensen arresteren en werden velen ontslagen wegens hun deelname.
In 1997/1999 kwamen Hongkong en Macao weer bij China. In
Xinjiang, goed voor 20% van de Chinese olie, gas en kolen, werd
het aantal Han opgevoerd van 7 naar 40%. In 1999 werd Falun Gong
verboden, nadat deze ‘sekte’ beweerd had dat ze 70 miljoen leden
telde, meer dan de 63 miljoen van de CCP (p. 260-261).
Het internet kreeg vanaf de jaren 90 controle en censuur, de
‘Grote Chinese Firewall’. Het bbp steeg van 156 $ p.p. in 1978
naar 1.000 $ in 2001 en 3.832 $ in 2009. Maar de boeren
verdienden minder en werden zes keer zo zwaar belast als de
stadsbewoners. In 2010 stak China Japan voorbij als tweede
grootste economie (p. 262-263).
In november 2012 kwam Xi aan de macht. Hij lanceerde zijn
anticorruptiecampagne, zijn ‘Chinese Droom’ en de Nieuwe
Zijderoute. Universiteiten kregen verbod om te spreken over
westerse waarden en over de fouten van Mao. Hij werd de
oppermachtige ‘Voorzitter van Alles’ (p. 269-271).
In 2016 veroordeelde het Internationaal Gerechtshof China voor
zijn aanspraken in de Zuid-Chinese Zee, maar Beijing trekt zich
daar niets van aan. Sinds de film ‘Wolf Warrior II’ uit 2017
gaat het zelfs bewust de agressieve en patriottische toer op. De
wrede Boksers van 1900 zijn nu grote helden.
Het ‘Hemelnet-project’ of cameratoezicht neemt toe: soms zijn er
meer dan honderd camera’s per duizend stadsbewoners. In de
rechtbanken worden er 99% schuldig verklaard (p. 278).
De aanpak van de Oeigoeren en Tibetanen blijft zeer hard. Ook de
Joden in Kaifeng werden niet gespaard. Taiwan is eveneens een
element van instabiliteit. 83% voelt zich Taiwanees, slechts
5,3% Chinees. In 2019-2020 protesteerden miljoenen Hongkongers
tegen de uitleveringswet. In 2020 werd de ‘Veiligheidswet’
opgelegd en de democratie begraven (p. 282). Ook de
vrouwenrechten werden ingeperkt. Dokter Li Wenliang (1985-2020),
die waarschuwde voor corona, moest zwijgen en stierf zelf aan
corona (p. 283).
De schrijfster vraagt zich af of het regime nog strenger zal
worden en of het zal overleven. Ze zegt: ‘Het menselijke,
culturele en economische potentieel van China kent geen grenzen.
Generaties Chinese schrijvers, dichters, kunstenaars en
uitvinders hebben van de wereld een mooiere plek gemaakt’. Maar
ze vreest dat de harde macht het zal halen van de zachte (p.
286-287).
Beoordeling
Jaivin kent de Chinese geschiedenis, literatuur, filosofie,
films, politiek door en door en ook de vreselijke intriges die
zich afspeelden aan het keizerlijk hof. Ze weet heel veel over
het privéleven van de keizers, hun tientallen tot honderdtallen
concubines en kinderen, de moordpartijen aan het hof. Ze is
kritisch en tegelijk hoopvol voor China. Ze geeft een beperkt
aantal tips voor de uitspraak van Chinese woorden (p. 17-18). In
haar boek komen ca. 68 Chinese begrippen voor. Die worden één
keer uitgelegd, maar niet heropgenomen in een alfabetische lijst
of in het register.
De titel van het boek klopt niet letterlijk: het telt 320
pagina’s, terwijl ‘Een kleine geschiedenis van China’ van Jan
van Oudheusden er 192 of 128 minder telt. Het verschil zit
vooral in de literatuur en de films, die bij Jaivin meer
aanwezig zijn. De schrijfster legt ook niet uit waarom ze die
titel gekozen heeft.
Ook Jaivin beperkt de vernederingen van China tot de periode
1839-1949, terwijl de overheersingen door de Mongolen
(1271-1368) en door de Mantsjoes (1644-1911) even vernederend
waren. Jaivin vernoemt Marco Polo (1271-1295, p. 118), maar ze
vergeet dat Willem van Rubroeck in 1253-1255 al een reis naar
het Mongoolse rijk maakte en daar een veel degelijker verslag
van maakte dan de andere reizigers. Bij Confucius (p. 35) had ze
mogen vermelden dat zijn geschriften in het Westen bekend
raakten door de Latijnse vertaling uit 1687 van Philippe
Couplet, Jezuïet uit Mechelen. Bij de Jezuïeten ontbreekt ook
Ferdinand Verbiest, hof-astronoom van keizer Kangxi.
Bij vele personen zoals Sun Tzu, Laozi, Tang Taizong en Qianlong
moet de lezer zelf de data zetten.
Bij de tochten van Zheng He ontbreekt Gavin Menzies, die rijk
werd met zijn boek ‘1421’. Daarin beweerde hij onterecht dat
Zheng ook Amerika ontdekt had. Soms had ik vragen bij de
aantallen inwoners: ‘150 miljoen’ in 1600 (p. 144), slechts ‘100
miljoen’ in 1644 (p. 147).
Op p. 224 staat een zeldzaam drukfoutje: ‘1949’ moet 1959 zijn.
En op p. 223-225 gaat het over de Grote Sprong en tegelijk over
Tibet 1949 en 1955. Wellicht moet ook dat 1959 zijn. De foto’s
zijn van matige kwaliteit, de kaartjes zijn soms erg
onduidelijk. Maar het geheel is zeer degelijk. We bevelen het
boek aan om zijn veelzijdige kijk op China.
© Jef Abbeel,
september
www.jefabbeel.be




