François Joyaux. (2026). Histoire de l’empire colonial chinois du XVIIe siècle à nos jours. Editions Perrin, Paris, 2026. 382 pagina’s, kaarten, tabellen, bibliografie, index. ISBN 978-22-621-0711-6; € 25.


Histoire de l’empire colonial chinois du XVIIe siècle à nos jours

In China spreekt men graag en veel over de ‘Eeuw van de vernedering’, de periode van 1839 tot 1949, toen Westerse landen er de baas speelden. Waar ze niet over spreken, is de veel langere periode waarin eerst de Mongolen (1271-1368) en daarna de Mantsjoes (1644-1911) met meer geweld over China heersten.

Histoire de l’empire colonial chinois du XVIIe siècle à nos jours

Jef Abbeel


Nog meer taboe zijn de verovering van Tibet, Xinjiang, Binnen-Mongolië, Hong Kong en straks misschien Taiwan en delen van de Zuid-Chinese Zee. Terwijl er over de Europese koloniale rijken een onuitputtelijke literatuur bestaat, ontbreekt deze compleet over het Chinese koloniale rijk. China en Rusland zijn nooit geklasseerd bij de koloniale rijken, wellicht omdat hun veroveringen niet over zee waren zoals de Britse, Franse, Nederlandse, Belgische e.a.


Een tweede verklaring is te vinden in het feit dat het Middenrijk met zijn superieure beschaving zich geroepen voelde om andere volkeren daarbij te betrekken en belastingen te laten betalen. Een derde reden is dat de Chinese historici het taboe niet willen doorbreken. Een vierde reden is dat China in 1955 deelnam aan de conferentie van Bandoeng, die zich uitsprak tegen kolonialisme. Een vijfde is het marxisme: een communistisch land kan geen kolonies hebben, ook al bepaalt het de gang van zaken in vele Afrikaanse landen.

De auteur van dit boek doorbreekt het taboe dus wel. Hij is specialist in Oost-Azië en schreef daar al 19 andere boeken over. Hij ziet veel gelijkenissen met de Europese kolonisatie: militaire verovering, verplaatsing van volkeren, vernietiging van lokale beschavingen, opleggen van administratieve en ideologische controle. Hij citeert daarvoor Zhang Zhizhong, gouverneur van Xinjiang in 1946, die zelf kritiek uitte op de overheersing van de bevolking door (toen) slechts 5% Chinezen (p. 7).

Door de veroveringen tijdens de Mantsjoes heeft China zijn oppervlakte verdubbeld van 5 naar 9,5 miljoen km². In 1644 veroverden de Mantsjoes Noord-China. Rond 1680 hadden ze tijdens keizer Kangxi (1662-1722) ook het zuiden ingepalmd. Sommige veroveringen, zoals die van de Miao’s in Guizhou in 1775, gingen gepaard met de decimering van de bevolking. Hun stamhoofden werden in Peking onthoofd en hun hoofden werden tentoongesteld in kooien. Het verdrag van Nertsjinsk legde in 1689 de grens vast tussen Rusland en het Mantsjoerijk. De Jezuïet Jean-François Gerbillon was erbij als vertaler (p. 25).

In de 19de eeuw verminderde de macht van de Mantsjoes door de toenemende buitenlandse druk, hun nederlagen van 1842 en 1860 en de Taiping-opstand rond 1860. In 1858-1860 verloren ze Buiten-Mantsjoerije, het gebied ten noorden van de Amoer en de provincie Vladivostok aan Rusland. In 1894-1895 werden ze verslagen door Japan en verloren ze Taiwan aan Japan (p. 27-29).

In 1911 kwam er een einde aan hun regime. Sun Yat-sen noemde het extreem tiranniek en zeer nadelig voor het Chinese volk. Volgens hem moesten Tibet, Mongolië, Turkestan en Mantsjoerije bij China blijven.

In 1931 viel Japan binnen in Mantsjoerije. Het zette Puyi, de laatste keizer, aan het hoofd.
In hetzelfde jaar stelden de communisten een grondwet op, waarin stond dat de etnische minderheden het recht hadden op zelfbestuur en zelfs om een eigen staat op te richten. Die rechten werden geschrapt uit de grondwetten van 1954, 1978 en 1982. Het hele koloniale rijk hoorde dus definitief bij China.

Als eerste kolonie komt Tibet aan de beurt (p. 43-149). Het was enorm groot: 3 à 3,8 miljoen km² of 100 keer België, 75 keer Nederland, 1/3de van China. Nu is het opgesplitst in drie delen. De zgn. autonome regio is slechts 1,2 miljoen km² of 40 x België, 30 x Nederland. Er ontspringen vijf grote rivieren: de Gele, die Noord-China bevloeit; de Blauwe, die Zuid-China van water voorziet; de Mekong, Brahmapoetra en de Indus. China controleert dus ook het water van India en Indochina. Tibet is ook de grootste leverancier van lithium en het bezit veel koper en zeldzame metalen. In 1910 woonden er 6,5 miljoen mensen, in 1954 nog 2,7, van wie 1,2 in de autonome regio.
De auteur schetst de geschiedenis vanaf de 7de eeuw, de deels religieuze staatsstructuur, de ingewikkelde relatie met de Mantsjoe-keizers, die rond 1722-1735 grote delen van Tibet bij de Chinese provincies Yunnan en Sichuan aanhechtten. Toen begon ook de Chinese immigratie (p. 48-56).

De Mantsjoes richtten er in de 19de eeuw wel scholen op en schaften er de slavernij af (p. 69). De Engelsen erkenden in 1876 en 1890 de suzereiniteit van de Mantsjoes over Tibet. De revolutie van 1911 maakte een einde aan de Mantsjoe-dynastie. Tibet maakte gebruik van de chaos om zich in 1913 onafhankelijk te verklaren. De 13de dalai lama keerde terug uit India en regeerde tot 1933. In 1928-1929 verloor het historische Tibet al de oostelijke helft van zijn territoria aan de Republiek China. Ze werden de provincies Xikang en Qinghai. Vanaf 1932 plunderden de communisten de kloosters. Tot 1949 genoot Tibet een zekere autonomie. Maar Mao erkende geen zelfbestuur, hoewel hij dat in 1931 beloofd had. In oktober 1950 werd het Tibetaanse leger verslagen. Het kreeg van niemand hulp. De 14de dalai lama werd in 1951 gedwongen de Chinese soevereiniteit te erkennen (p. 102). Tibet werd een gekoloniseerd territorium met de naam Xi Zang (p. 106). Tussen 1952 en 1959 verzette Tibet zich gewapend maar tevergeefs tegen de Chinese overheersing. Tijdens de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ (1958-1961) werden Tibetaanse monniken gefolterd, geëxecuteerd of naar heropvoedingskampen gestuurd. Op 11 maart 1959 verklaarden ministers van de Tibetaanse regering de onafhankelijkheid, maar het Chinese leger verpletterde de antikoloniale en anticommunistische opstand. Er vielen duizenden doden, leden van de elite werden gefolterd, de tong afgesneden en gevangengezet. De dalai lama vluchtte uit Tibet, 80.000 Tibetanen volgden hem. De relaties tussen India en China verslechterden hierdoor en in 1962 volgde er een grensoorlog(p. 120-121).

Tussen 1959 en 1978 vond er een ware repressie plaats in Tibet, waarbij China de kloosters plunderde, duizenden monniken executeerde in aanwezigheid van het volk of naar de laogai (strafkampen) stuurde, waar ze ook gefolterd werden. Alle leidinggevenden waren Chinese communisten (p. 123). De Culturele Revolutie was in Tibet de wreedste periode: kloosters werden massaal verwoest door Rode gardes, geholpen door Tibetaanse slaven. Ca. 100.000 monniken werden eerst gefolterd en dan gedood, prachtige kloosters geplunderd en dan verwoest (p. 124). In 1979 concludeerde een Tibetaanse delegatie dat de Tibetaanse beschaving vernietigd was. Zelfs partijsecretaris Hu Yaobang bevestigde dat in 1980 en beloofde opnieuw respect voor de cultuur. Maar de beloofde autonomie kwam er nooit (p. 132-135).


Hu Jintao was partijsecretaris van Tibet tussen 1988 en 1992. Hij onderdrukte hardhandig de opstand van maart 1989 en verhardde de aanpak van de regio. Zijn opvolger, Chen Kuiyuan (1992-2000), stimuleerde de economische ontwikkeling, maar roeide de godsdienstige cultuur uit wegens ‘niet-verenigbaar met het socialisme’ en haalde nog meer Chinezen binnen. De nieuwe panchen lama (tweede hoogste geestelijke leider) werd in 1995 aangehouden en verdween definitief (p. 136-137). Deze ‘religieuze staatsgreep’ bezegelde de definitieve breuk tussen de dalai lama en de Chinese overheden, die ook de Tibetaanse taal schrapten in het middelbaar onderwijs. De dalai lama noemde dat een ‘culturele genocide’.

In 2005 telde Tibet 2,77 miljoen inwoners: 92% Tibetanen, slechts 6% Chinezen: zij wonen niet graag op grote hoogte. In Xinjiang was dat 40%, in Binnen-Mongolië 80% (p. 142-143). In het grotere historische Tibet woonden slechts 6 miljoen Tibetanen tegenover 7,5 miljoen niet-Tibetanen: Chinezen, islamieten e.a.

In maart 2008 barstte opnieuw een opstand uit in Lhasa e.a. steden. Er vielen meer dan duizend doden.
Sinds Xi aan de macht is, is de repressie nog toegenomen en hebben tientallen monniken zichzelf in brand gestoken. In 1950 waren ze met 100.000, nu nog met 20.000 à 30.000 (p. 143-145). In 2021 kwam Xi wel op bezoek in Lhasa.

Deel II gaat over de kolonisatie van Oost-Turkestan of Xinjiang (‘nieuwe grens’). In 751 versloegen Arabieren en Turken de Chinezen bij de Talas-rivier, nu Kazachstan. In Oost-Turkestan vestigden zich dan Oeigoeren en Dzjoengaren. In 1755-1757 roeide Mantsjoe-keizer Qianlong 800.000 of 80% van de Dzjoengaren uit. Vrouwen en kinderen werden slaaf gemaakt. In 1768 kreeg Oost-Turkestan de naam Xinjiang en werd het aangehecht bij het Mantsjoerijk. In de 19de eeuw waren er veel moslim-opstanden, o.a. in 1839, 1845, 1862-1876. Ze werden bloedig onderdrukt. Tegelijk was er de Russische dreiging: in 1851 legde Rusland een ongelijk verdrag op, in 1865-1876 veroverde het Tasjkent en Oezbekistan (p. 168-169). Bij de Chinese verovering van Kasjgar in 1877 werden duizenden moslims vermoord en tienduizenden vluchtten de grens over naar Rusland. In 1884 werd Xinjiang een Chinese provincie met Urümqi als hoofdstad. Han-Chinezen vestigden zich er als kolonisten. In 1887 werd ook Taiwan een Chinese provincie, maar in 1895 werd het veroverd door Japan (p. 169-171).

Vanaf 1949 steunde China de Vietnamezen tegen de Franse kolonisatoren, maar in Tibet en Xinjiang zette het de kolonisatie verder: het recht om zich af te scheiden stond nog wel in de grondwet van 1931, maar niet in die van 1949. Han-Chinezen blijven er de baas.
Tijdens de ‘Honderd Bloemencampagne’ van 1956 durfden Oeigoeren en Kazachen kritiek te uiten. 53 werden er gedood, 830 aangehouden en 10.000 gebrandmerkt als ‘contrarevolutionair’. In 1959 werden 30.000 à 35.000 Oeigoeren, Kazachen en Kirgiezen naar werkkampen gestuurd en tienduizenden vluchtten naar de Sovjet-Unie.

De Culturele Revolutie was een ramp: moskeeën werden omgebouwd tot varkensstallen, islamieten verplicht om varkensvlees te eten, tienduizenden moslims werden geëxecuteerd.
Tijdens Deng (1978-1989) werden honderden moskeeën heropgebouwd. Toch ontstonden er nog opstanden in 1980 en 1981.

In 1989 vond het drama van Tiananmen plaats. Er was ook een opstand in Tibet. Xinjiang betoogde in april tegen de gedwongen abortussen, de Chinese immigratie, het communisme en voor de bevrijding van Oost-Turkestan. Het Russische koloniale rijk in West-Turkestan viel uiteen: Kirgizië, Tadzjikistan, Kazachstan en verderop Oezbekistan en Turkmenistan werden in 1991 onafhankelijk. Maar China hield stand.

Vanaf 1992 vonden er islamistische terreurdaden plaats. Die herhaalden zich in 1993, 1995, 1997, 1999, 2008, 2009, 2013, 2014 (drie keer), 2015. China reageerde met meer immigratie: het aantal steeg van 7% in 1950 naar 40% in 2000, terwijl de Oeigoeren daalden van 75 naar 46%. Volgens de Oeigoeren zijn er meer dan 40% Chinezen en zelfs meer Chinezen dan Oeigoeren (p. 227-230). China verbeterde ook de infrastructuur, de economie en de welvaart. Maar de Oeigoeren zagen vooral de verschillen met de Chinezen.

Sinds Xi is de repressie verergerd en is de verchinezing van de godsdienst toegenomen. 3.000 à 5.000 Oeigoerse jihadisten gingen met IS meevechten tegen de Syrische regering. Xi verbood islamitische voornamen en liet heel wat moskeeën vernietigen. Het onderwijs en de straatnamen moesten vanaf 2016 in het Chinees zijn. Van de 12 miljoen Oeigoeren belandden er enkele honderdduizenden tot meer dan 1 miljoen in kampen. En 1,5 à 3 miljoen of 10 à 20% heeft al tijdelijk vastgezeten.

Zuid-Mongolië/ Binnen-Mongolië is de derde ‘kolonie’. Van 1271 tot 1368 regeerden de Mongolen over China. De Grote Muur kon hen niet tegenhouden. De Mantsjoes veroverden heel Mongolië in 1691-1696 en regeerden erover tot 1911. Toen werd de noordelijke helft onafhankelijk. De zuidelijke bleef bij China. Er wonen ook Mongolen in Rusland, o.a. de Boerjaten en de Kalmoeken. In 1921 veroverden de Sovjet-communisten Mongolië en maakten er een socialistische staat van. In 1924 kreeg ze de naam ‘Volksrepubliek Mongolië’. Met Sovjethulp overleefde ze tot 1992. Toen eindigde het marxisme en werd het boeddhisme in ere hersteld.

De Sovjets voerden er ‘zuiveringen’ door, al vanaf 1922, maar vooral tijdens Stalin in de jaren 1932-1939: kloosters werden geplunderd en verwoest, duizenden monniken geëxecuteerd. Er vielen 100.000 doden op 700.000 inwoners. Slechts twee van de 1.050 kloosters werden niet vernield.
Peking moest tevreden zijn met Zuid-Mongolië, d.w.z. met minder dan de helft van wat de Mantsjoes in 1696 veroverd hadden (p. 262-263). Er waren sinds 1860 zoveel Chinezen ingeweken dat ze in 1949 80% van de bevolking uitmaakten (p. 270+ 278). Van 1947 tot 1966 was Ulanfu er de machtige partijsecretaris. Hij sprak Chinees en Russisch, geen Mongools. In 1966 werd hij tijdelijk afgezet door de Rode Gardes.

In de jaren 80-90 verzetten de Mongolen zich tegen de Chinese immigratie en kolonisatie. Hun leider Hada werd in 1995 aangehouden en veroordeeld tot 15 jaar gevangenis. In 2011 waren er opnieuw anti-Chinese betogingen. Vanaf 2012 verstrengde Xi de Chinese overheersing en de verchinezing.

Binnen-Mongolië telt nu 24 miljoen inwoners op een oppervlakte van 40 keer België of 30 keer Nederland. 79% zijn Han-Chinezen. 17,5 % of 4,2 miljoen zijn Mongolen.
In Buiten-Mongolië zijn ze met slechts 3,6 miljoen.

In 2020 ontstond er een grote betoging tegen de verplichting om het Chinees te gebruiken in het onderwijs i.p.v. het Mongools. En in 2023 werd een boek over de geschiedenis van de Mongolen verboden omdat de Mongolen voorgesteld werden als verschillend van de Chinezen (p. 283).

Deel 4 gaat over het overzeese semi-koloniale imperium. Tussen 1405 en 1433, tijdens de Ming, was admiraal en ontdekkingsreiziger Zheng He (1371-1433) wel zeven keer gaan varen, volgens de auteur tot Somalië, volgens anderen tot Mombasa in Kenia, waar China in 2020 bij een treinstation een monumentaal standbeeld van hem heeft opgericht. Hij eiste overal belastingen en erkenning van de Chinese suzereiniteit. In China leert men aan dat hij enkel vreedzame betrekkingen wou aanknopen. In 2005 vierde Peking de 600ste verjaardag van zijn expedities, zonder te vermelden dat er 27.000 militairen mee waren die tegenstanders oppakten en in China executeerden.

Pas in de 17de eeuw en vooral op het einde van de 19de eeuw toonden de Mantsjoes interesse voor het overzeese Taiwan en Hainan. In 1542 hadden de Portugezen de naam ‘Ilha Formosa’ bedacht. In 1624 stichtten de Nederlanders er hun Fort Zeelandia. In 1661 verdreef de Chinese rebel Zheng Chenggong of Koxinga de Nederlanders. Hij was de zoon van een Chinese krrijgsheer en een Japanse moeder.

In 1683 werd Taiwan veroverd door de Mantsjoes, die er in 1885 een Chinese provincie van maakten. Van 1895 tot 1945 was Japan er de baas. De CCP heeft er nooit geregeerd. In 1971 kwam China in de UNO en werd stichtend lid Taiwan eruit gezet. China eiste een naamsverandering, eerst in Republiek China, dan in ‘Chinees Taipei’ (1981). Sinds 1986 is het een democratie. In 2023 had Taiwan (als enig land ter wereld) een handelsoverschot van 80 miljard dollar met China. Het is er dus ook economisch afhankelijk van. Het wordt slechts door een tiental ministaatjes erkend.
Sinds Deng en vooral sinds Xi wil China de grootste zeemacht worden. Hun visserijvloot is sinds 2014 tien keer groter dan die van de EU-landen en haalt ook illegaal de vis weg in Afrika en Zuid-Amerika. Sinds 2023 is ook hun handelsvloot de grootste ter wereld en liggen 15 van de 20 grootste havens in China.

China eist nu de eilanden op die in de Zuid-Chinese zee liggen: Senkaku, Diayou, Taiwan, Spratley, Paracel. De buurlanden Vietnam, Maleisië, Brunei, Indonesië, Filipijnen, Japan hebben er evenveel recht op. Op het eiland Hainan woonden eerst de Li, maar door Chinese immigratie zijn ze een kleine minderheid geworden: 1,2 miljoen tegenover 9 miljoen Chinezen. In mei 1950 werd het veroverd door China. Het werd een speciale economische zone en vooral een militaire basis voor de vloot, de onderzeeërs, ruimteraketten en de maritieme zijderoute.
Die zijderoute verbond in 2024 de Chinese havens met 150 staten en driekwart van de wereldbevolking.

Singapore(letterlijk ’stad van de leeuw’) speelt er een speciale rol in. 75% van de 6 miljoen inwoners zijn Chinezen en het is de tweede wereldhaven na Shanghai (p. 332-333). Het vormt een onderdeel van de Chinese expansiepolitiek. China probeert overal zijn migranten in dienst te stellen van het vaderland. In Zuidoost-Azië zijn dat er ca. 30 miljoen (p. 337). China heeft ook een vlootbasis in Cambodja (Ream) en in Bangladesh (Cox Bazar), een haven in Birma (Arakan), in Sri Lanka (Hambantota) en in Pakistan (Gwadar) en sluit zo zijn concurrent India in. Het is aanwezig in Djibouti met een militaire basis en een haven (Doraleh), in Mombasa en vele andere Afrikaanse landen. In Europa zit het o.a. in Istanboel, Piraeus, Trieste, Genua, Venetië, Marseille, Valencia, Bilbao, Antwerpen, Rotterdam, Hamburg. Ondanks de massale aanwezigheid in Afrika, is de handel daarmee slechts 4% en veel kleiner dan die met Europa. In dit 4de deel komt de kritiek zwakker over dan in de vorige drie: hier is er wederzijdse toestemming.

Een eventuele verovering van Taiwan zal zonder wederzijdse toestemming verlopen.
China is ook niet de enige continentale koloniale macht: de SU was dat ook tot 1991 en de VS zijn ook verder gegaan dan de oorspronkelijke 13 Britse kolonies.
De auteur vergelijkt de Chinese overheersing van Tibet, Xinjiang en Binnen-Mongolië met de Franse over Algerije (1830-1962) en citeert daarbij secretaris-generaal Hu Yaobang, die in 1980 verklaarde dat China in Tibet puur kolonialisme toepaste (p. 361).

Beoordeling
Loyaux kent de geschiedenis van Zuidoost-Azië perfect. Door zijn grote kennis haalt hij er een massa gebeurtenissen bij die hier de geschiedenisboeken en de pers niet haalden. Soms staan er wel te veel feitjes in en is het moeilijk te volgen.
Hij gaat compleet in tegen de officiële Chinese versie dat alle gebieden bij China horen. Hij noemt het onderworpen territoria die stapsgewijs bevolkt zijn met Chinezen en geïntegreerd zijn in het grote China. Zijn pleidooi is boeiend, het is theoretisch correct, maar het zal niets veranderen aan de bestaande realiteit.
Een paar opmerkingen: in deel 4 mis ik de ‘polaire zijderoute’, die voor China 20 dagen korter is dan die via Suez. En ik mis ook hun zoektocht samen met Rusland naar polaire olie, gas en zeldzame aardmetalen.

In de bibliografie mis ik enkele interessante boeken: Gulbahar Haitiwaji, Rescapée du goulag chinois (2021); Sayragul Sautbay-Alexandra Carelius, The Chief Witness: Escape from China’s modern day concentration camps (2021); Laurence Defranoux, Les Ouïghours. Histoire d’un peuple sacrifié (2022); Jacques Graveraux, Taiwan, une obsession chinoise (2023); Dorian Malovic, Requiem pour Hong Kong (2024); Xavier Aurégan, China, puissance africaine (2024); Claude Meyer, La Chine de Xi (2025); Rien Segers, Taiwan. Het nieuwe geopolitieke brandpunt (2026).

De kaarten zijn onmisbaar, maar tal van plaatsnamen staan er niet op. Je kunt dus best de ‘Atlas of China’ bij de hand houden.

Een detail: tussen 1951 en 2021 liggen er geen ’50 jaar’ (p. 149), maar 70.


©Jef Abbeel, Turnhout september-oktober 2026 www.jefabbeel.be