
Emile Schrijver en Ruth Peeters (2025). Ooggetuigen van het
antisemitisme. Europese Jodenhaat in meer dan veertig teksten.
Uitgeverij Prometheus, Amsterdam/L&M, Antwerpen, januari 2025.
Paperback, 21 x 14 cm. 284 pagina’s, foto’s, bibliografie,
register, € 24,99.ISBN 978-90-446-5691-6; € 24,99.
.
Ooggetuigen van het antisemitisme. Europese Jodenhaat in meer
dan veertig teksten.
Dit boek is een verzameling van 43 antisemitische teksten uit de periode van de 4de eeuw v.C. tot 1949. De ondertitel klopt maar half: tekst 2 gaat over Perzië, 3 tot 6 over Egypte, 7en 8 over Turkije.
Inhoud
Ooggetuigen van het antisemitisme. Europese Jodenhaat in meer
dan veertig teksten.
In
Egypte was er eeuwen vroeger al antisemitisme, nl. tijdens de
Joodse ballingschap daar. Jodenhaat kwam en komt voor in alle
werelddelen, zeker in islamitische landen. Een andere beperking
is de einddatum 1949: in 1948 werd de staat Israël opgericht en
sindsdien werden en worden Joden vaak aangevallen wegens de
politiek van die staat.
In de 19de eeuw werd er voor het eerst over antisemitisme
geschreven, o.a. door Wilhelm Marr, die de Joden de schuld gaf
voor de Jodenhaat. Karl Marx, zelf Jood, deed er in 1848 nog een
schep bovenop door in zijn ’Zur Judenfrage’ te schrijven dat
geld hun god was.
De 43 bronnen staan in chronologische volgorde, zodat de lezer
de ontwikkeling kan zien van kritiek op hun monotheïsme tot
verzet tegen Joden als vreemde entiteit en gevaar voor de staat.
De oudste tekst is van Hekataios van Abdera (360-290 v.C.). Hij
vond ze asociaal omdat ze andere leefregels hadden en één god
i.p.v. meerdere. Zijn commentaar was nog mild.
Het Bijbelboek Esther uit de 2de of 1ste eeuw v.C., mogelijk uit
150-130 v.C., vertelt over Jodenhaat in het Perzische rijk
tijdens de 5de eeuw v.C. De reden was dat ze hun eigen leven
leidden en andere wetten hadden. Volgens dat Bijbelverhaal
verhinderde Esther dat ze niet uitgeroeid werden.
Tekst 3 gaat over buitensporig antisemitisch geweld in Romeins
Alexandrië rond 37 n.C. De Joden werden er uit hun huizen
gesleurd en beroofd van alles. Nooit eerder hadden ze zulke
wreedheden ondergaan. Vrouwen en kinderen stierven van honger,
terwijl er eten in overvloed was. Mannen werden neergestoken, de
hele stad rond gesleurd, vreselijk verminkt en met een zwaard
vermoord of levend verbrand (p. 33-35). Dit getuigenis van Philo
van Alexandrië (25 v.C.-45 n.C.) is zeer schokkend.
Tacitus (55-116 n.C.) beschrijft de Joden in zijn ‘Historiae’ :
ze zonderen zich af, ze zijn anders, ze hebben maar één
onzichtbare god (p. 44-45). Ze zijn barmhartig voor elkaar, maar
ze haten de anderen. Begraven verkiezen ze boven cremeren (p.
44-48).
Kerkvader Johannes Chrysostomos (ca. 400 n.C.) vergelijkt het
‘verachtelijke Jodendom’ met een ziekte en vraagt zijn gelovigen
niet deel te nemen aan hun feesten en Joden naar hem te brengen
‘om ze te genezen’. Volgens hem waren Joden niet beter dan
varkens en geiten (p. 51-59). Een andere kerkvader, Augustinus
(ca. 420 n.C.) citeert Seneca (ca. 60 n.C.) die de Joden lui
noemde, maar ze tegelijk prees omdat ze weten waarom ze feesten
vieren (p.59-61).
Bij de eerste Kruistocht (1096) werden in Mainz, Speyer, Worms
Joden vermoord door kruisvaarders op hun doortocht door het
Rijnland. Er is ook een ongeloofwaardig ‘bloedsprookje’ uit
Engeland: Joden zouden daar in 1144 een jongen gemarteld en
gedood hebben om met zijn bloed hun matses (ongedesemd brood) te
bereiden (p. 78). In de late Middeleeuwen werd de Talmoed, de
encyclopedie van het Jodendom, geregeld verbrand, o.a. in 1242
in Parijs. De schuld voor de pest van 1348-1353 lag natuurlijk
bij de Joden: zij zouden de waterbronnen en rivieren vergiftigd
hebben. De moordpartijen die toen plaatsvonden betekenden het
einde van de bloei van het Duitse Jodendom: in één jaar tijd,
van november 1348 tot september 1349, werden alle Joden verbrand
en gedood tussen Straatsburg, Bazel en Oostenrijk (p. 89-93). In
1492 werden ze uit Spanje verdreven. De precieze reden is
onduidelijk. Hun goud en zilver moesten ze achterlaten. Ze
trokken naar Noord-Afrika, het Ottomaanse Rijk en Italië.
Zelfs Erasmus koesterde antipathie jegens de Joden en Luther was
in zijn ‘Von den Juden und ihren Lügen’ (1543) nog veel erger:
“Het zijn leugenaars en bloedhonden, hun adem stinkt naar goud
en zilver.” (p. 114).
Hij riep op om hun synagogen, scholen en huizen af te branden en
hun bezit af te pakken.
Zijn boek werd in 1935 vertaald door een Nederlandse
nationaalsocialist en Hitler-fan Pieter Emiel Keuchenius
(1886-1950). In 1648-1653 vond anti-Joods geweld plaats in
Oekraïne, onder leiding van kozakkenleider Chmelnytsky. Het ging
er zeer wreed aan toe. In 1680 werden 23 ‘bekeerde Joden’, die
niet trouw waren aan het katholieke geloof, in Spanje gedood
onder grote publieke belangstelling. Eerst werden ze gefolterd,
dan levend in brand gestoken. Anderen werden opgesloten, o.a.
een meisje van 14.
Verlicht filosoof Voltaire ging zo hevig tekeer tegen de Joden
dat men hem beschouwt als wegbereider voor het seculiere
antisemitisme. Hij noemde ze ‘barbaars’ en ‘smerig hebzuchtig’,
maar ze moesten niet verbrand worden (p. 143). Filosoof Fichte
(ca. 1793) zag de Joden als vijanden binnen de staat en
componist Richard Wagner (1869) vergeleek Joodse componisten
zoals Felix Mendelssohn Bartholdy met insecten: “Ze heersen en
ze zullen blijven heersen dank zij hun geld.” (p. 152-154).
Hij beweerde ook dat ze geen kunstenaars of muzikanten hadden en
dat ze geld verdienden door te woekeren en zonder te werken
(p.152-158). Charles Dickens portretteerde in zijn ‘Oliver
Twist’ (1838) de Joodse crimineel Fagin: een wrede man met grote
neus, die weeskinderen voor hem liet stelen.
In Praag beweerde een anti-Joodse journalist rond 1868 dat er
samenzweringen plaatsvonden op het kerkhof. In de vervalste
‘Protocollen van de Wijzen van Sion’ (1905) nam men deze en
andere onzin over (p. 165-166).
Abraham Kuyper, in 1879 oprichter van de eerste Nederlands
politieke partij ARP/Anti-Revolutionaire Partij,
minister-president van 1901 tot 1905, oprichter van de Vrije
Universiteit in Amsterdam en de Technische Universiteit in
Delft, stond bekend als beschermer van de kleine lieden, maar
niet van de Joden. Hij beschouwde hen als woekeraars en
samenzweerders die met 1% van de bevolking de wereldmacht wilden
veroveren. Ze waren toen met 6 à 7 miljoen, volgens andere
bronnen met 10 à 12 miljoen. Hij vond dat ze in Nederland de
justitie in handen hadden en in Europa heel de pers (p.
178-180). Rond 1890 verschenen in Frankrijk en elders pamfletten
over Joodse moorden op christelijke kinderen en in Brugge
verscheen een jeugdboek ‘Het Jodenknaapje van Praag’, waarin die
jongen door Joden aan het kruis werd genageld zoals Christus.
In 1894 werd officier Dreyfus op basis van vervalste documenten
beschuldigd van spionage voor het Duitse Rijk. Hij werd naar
Duivelseiland verbannen. In 1896 bleek dat de dader een andere
officier was: Esterhazy. Die werd vrijgesproken. In 1898 toonde
Emile Zola dat Dreyfus onschuldig was. Toch duurde het nog 8
jaar, tot 1906, voordat hij uiteindelijk werd vrij gesproken (p.
208-209).
De Brit Houston Chamberlain (1855-1927), die in Duitsland
woonde, was met zijn ‘Die Grundlagen des Neunzehnten
Jahrhunderts’ de bedenker van een anti-Joodse rassentheorie die
later door Hitler werd overgenomen.
In de ‘Protocollen van de Wijzen van Sion’ (1905) werd beweerd
dat de Joden de wereldheerschappij wilden overnemen. Dit werd
net op tijd verhinderd door één man, de geniale leider Adolf
Hitler, aldus de Nederlandse editie van 1940-41. Thema’s zijn:
het geld, de macht over de pers, de verovering van de macht in
Europa.
Bij de Nederlandse uitgeverij Callenbach verschenen meer dan
vijftig jeugdboeken van Ida Keller, waarin Joden wreedheden
begingen. Na de bevrijding kregen terugkerende Joden een kille
ontvangst in Nederland. Mark Rutte bood daarvoor
verontschuldigingen aan in 2020. Het boek eindigt helaas al in
1949. De auteurs besluiten: antisemitisme kent meerdere
gezichten.
Beoordeling
Schrijver en Peeters hebben een overtuigend dossier samengesteld
van antisemitisme in de loop der eeuwen. Ze doen dat zorgvuldig
en in een voor iedereen toegankelijke taal. De foto’s tussen p.
96-97 en tussen p. 192-193 tonen de Jodenhaat nog explicieter
dan de teksten.
Toch een paar opmerkingen. De auteurs beweren dat Jodenhaat
primair Europees was, maar ze vergeten dat er in Egypte ten
tijde van Mozes en tijdens de Romeinen al antisemitisme was. Dat
was er ook in Babylonië en in het Perzische Rijk, waar de
verbannen Joden verbleven in de 6de - 5de eeuw v.C. En het Pact
van Omar herleidde Joden (en christenen) tot dhimmi’s,
tweederangsburgers, van 637 tot 1908, vooral in Azië en Afrika.
Zij spreken nog over 6 miljoen doden door de Holocaust (p. 14).
5,3 miljoen is preciezer, maar dat zijn er nog 5,3 miljoen te
veel. Tantrum (p. 144) is een zetfout voor Tantum.
© Jef Abbeel, maart 2025
www.jefabbeel.be