Paul-Louis
Kabasubabo Koni (2023). Ma vie, un rude combat. Editions du
Musée Familial Yabili, Lubumbashi, 30 juni 2023. Paperback, 230
pagina’s, kaarten, stambomen, foto’s, 24 x 14 cm
ISBN 978-23-835-4051-9; € 10,66.
Ma vie, un
rude combat
De auteur
(1927-2016) was blijkbaar de grootste Congolese schrijver van de
generatie Lumumba.
Tussen zijn 80ste en zijn 88ste schreef hij tien boeken. In dit
werk beschrijft hij zijn leven als koloniaal ambtenaar en ook de
jaren 1960-1972, toen hij een zeer hoge ambtenaar van zijn land
was.
Inhoud
Ma vie, un
rude combat
Hij
bewondert de Belgen, maar hij uit ook kritiek, o.a. op de
blanken met dubbel huishouden: hun vrouw in België, concubines
in Congo. De kinderen uit zulke relaties, halfbloeden of
mulatten, werden al sinds 1890 beschermd door de staat, die
zorgde voor hun onderhoud en onderwijs, zodat ze nadien een
eervolle functie kregen. Desondanks eisen ze nu een
schadevergoeding van de Belgische staat. Daar spreekt men van
‘gestolen kinderen’ en ‘misdaden tegen de menselijkheid’ (p.
10). Bij die kinderen hoorden de auteur en zijn broer. Hun vader
heette René Preys (niet te verwarren met de egyptoloog). Zij
kregen zeer degelijk onderwijs in Boma, bij de Broeders van de
Christelijke Scholen. Soms waren die te streng en vernederden ze
hun leerlingen. In 1935-1944 was dat onderwijs beperkt tot het
lager en vier jaar middelbaar. Ze leerden er ook dansen, koken,
kleren wassen, dagelijks douchen, typen, steno-dactylo en het
land bewerken. Na die tien jaar onderricht gingen ze naar het
leger of naar de administratie.
Hij was altijd de eerste van de klas. De vriendschap tussen de
scholieren was groot. Maar met de onafhankelijkheid stortte dat
systeem in elkaar en verdween de onderlinge solidariteit (p.
32).
Kabasubabo vertelt ook over de razzia’s die sommige zwarte chefs
hielden om slaven te vangen voor o.a. Tippo Tip (1837-1905), een
zwarte chef uit Zanzibar, die ze verkocht aan Arabieren (p. 20).
In 1945 werd de schrijver kantoorbediende. Hij kreeg 600 BF per
maand, blijkbaar voldoende om ook zijn moeder en tante te
financieren én een huisbediende aan te nemen. Deze pikte wel
zijn spaarcenten. Kabasubabo controleerde de immigratie in de
haven van Boma en constateerde dat de Belgen niet altijd de
vereiste diploma’s en bekwaamheden hadden. Hij zelf was
vrijgezel, maar wel vader van een kind dat door zijn ouders
opgevoed werd.
In 1957 kreeg hij de ‘Kaart van Burgerlijke Verdienste’: een
‘évolué’ kreeg daarmee toegang tot privileges van de Europeanen:
hotels, bars, bepaalde scholen, alcohol. Elk jaar werd hij
geëvalueerd en kreeg hij telkens de hoogste score: ”Elite”. Hij
slaagde in een examen waardoor hij toegang kreeg tot ambten die
toen voorbehouden waren voor blanken.
Hij beschrijft en betreurt de achteruitgang na de
onafhankelijkheid. Na 25 jaar hard werken in Boma moest de
auteur daar weg omdat hij partijloos was. Hij werd eerst
bureauchef bij de centrale regering in Kinshasa, dan directeur
personeelszaken, daarna secretaris-generaal van het ministerie
van transport. Hij mocht Congo vertegenwoordigen op
internationale conferenties.
Na een muiterij van Congolese militairen in 1960, sloegen veel
blanken op de vlucht. Zwarten namen onvoorbereid hun posten in.
Er ontstond chaos. In 1963 waren de wegen al in staat van verval
en de mensen waren armer dan in 1960, toen Congo aan de top van
Afrika stond. Leraren werden zo slecht betaald dat ze op het
bord schreven: ‘J’ai faim’ en geld eisten van de leerlingen.
Politici hadden overal onbekwame partijleden op hoge posten
gezet.
Van 1964 tot 1970 was hij voorzitter van Otraco, de
transportdienst voor het spoor, de rivieren en havens. Met
Belgische en Franse technische hulp moest hij de scheve
toestanden weer rechttrekken.
In eigen land had hij vaker tegenstand dan medewerking, ook van
Mobutu, die zich overal mee bemoeide en niet hield van
onomkoopbare ambtenaren. Toch benoemde die hem in 1971 tot
directeur van een belangrijke spoorwegmaatschappij KDL,
Kinshasa-Dilolo-Lubumbashi, die 2.612 km spoor beheerde en
17.000 personeelsleden had. Bij de BCK (Bas-Congo Katanga), die
zich bezighield met de bouw en exploitatie van die spoorweg,
waren na 11 jaar onafhankelijkheid nog alle belangrijke posten
in handen van blanken (p. 149). Hij moest die dienst
‘afrikaniseren’. Daarbij kreeg hij veel tegenkanting van zijn
eigen minister, die de kant van de Belgen koos! President Mobutu
en die minister ontsloegen hem in maart 1972. Zij kozen de kant
van de voormalige kolonisator, die bovendien met Congolees geld
een grote building zette in Brussel.
Na zijn ontslag kreeg hij een pensioentje van 11 dollar per
maand voor 27 jaar dienst, waarvan 16 voor de kolonisator en 11
voor de Congolese staat (p. 204). Het is me niet duidelijk hoe
hij dan toch huizen kon bouwen en lid worden van een chique
golfclub. Te meer omdat zelfs dat bedrag een jaar lang niet op
zijn rekening verscheen (p. 209).Hij bouwde een huis, dat hij
verhuurde, maar de huurder betaalde niet. Hij stichtte nog
bedrijven, maar kreeg enkel tegenwerking. Hij werd gouverneur
van de Lions Clubs van Congo, Rwanda en Burundi.
In 1997 werd zijn huis in Kinshasa gedurende elf jaar in beslag
genomen en geplunderd door soldaten van Laurent-Désiré Kabila.
In 2007 was het herleid tot een ruïne en alles was gestolen of
verwoest. Schadevergoeding kreeg hij nooit. Hiermee eindigt het
boek in mineur.
Beoordeling
De auteur vertelt op een serene en trotse manier zijn harde
levensloop, deels tijdens de kolonisatie, deels tijdens de
onafhankelijkheid. Hij toont zich niet gefrustreerd, in
tegenstelling tot vele Congolezen in de Belgische diaspora nu,
die het falen van hun leiders op de Belgen steken. Kabasubabo
toont net aan dat de Congolese leiders het slechter deden dan
hun voorgangers: rechtszekerheid verdween, corruptie, verval,
armoede, verwoestingen en verkrachtingen kwamen in de plaats.
Het grootste deel is vlot leesbaar. Moeilijke materies zijn de
discussies tussen leidinggevende ambtenaren en de Congolese
regering en president, die zich moeiden met zaken waarvan ze
niets kenden en die vaak tegenstrijdige orders uitvaardigden. En
ook de juridische onderhandelingen tussen Belgische en Congolese
instanties. Maar globaal gezien is het een zeer toegankelijk
boek.
© Jef Abbeel, september-oktober 2025
www.jefabbeel.be




