Simon Morrison (2026). Moskou.
Een duizendjarige geschiedenis.
Uitgeverij
Meulenhoff, Amsterdam
/
Lannoo, Tielt, juni 2026. Vertaling
van ‘A Kingdom and a Village’, door André Haacke en Ruud van der
Helm. Harde kaft, 544 pagina’s + 16
pagina’s foto’s; noten, register. ISBN
978-90-290-9426-9; € 39,99.
Moskou. Een duizendjarige geschiedenis
Na alle miserie die Poetin de wereld aandoet, is er eindelijk
nog eens een overwegend positief boek over het grootste land van
de wereld en vooral over de hoofdstad met haar 13 à 16 miljoen
inwoners. Achter hun bruutheid en lompheid, zit hun positieve
levenshouding, hun levenslust en vrolijkheid, ondanks de totale
onvrijheid, de stagnatie en de gevolgen van de oorlog tegen
Oekraïne (p. 13).
Inhoud
Moskou. Een duizendjarige geschiedenis.
De
auteur bracht een groot deel van zijn leven door in
Moskou. Hij volgt de chronologie van eeuw tot eeuw tot Peter de
Grote. Dan gaat hij de thematische toer op.
Hij begint met de legendarische stichting in 1147 door
grootvorst Joeri Dolgoeroeki uit Kiev. Daar ontstond ook het
Russische alfabet. Dat verklaart waarom Poetin er alles aan doet
om te voorkomen dat Oekraïne een onafhankelijke, Europagezinde
staat wordt (p. 23-31).
Moskou bestond veel eerder dan Rusland zelf. Over de betekenis
van de naam is men het niet eens: moerassige plek of troebel
water (p. 25-31)? We krijgen ook de bloedige geschiedenis van
Kiev, dat in de 12de-13de eeuw evenveel inwoners telde als
Parijs en Londen: 45.000 in 1238. Moskou had er toen minder dan
5.000 (p. 40, 58). Maar in 1240 werd Kiev volledig verwoest door
de Mongolen. Tot in de 16de eeuw waren er ruïnes van gebouwen en
paleizen. Die Mongolen werden ook Tataren genoemd. Dat klopte
niet helemaal: de Tataren sloten zich aan bij de Mongolen, maar
ze hadden een andere taal en een andere godsdienst: islam in
plaats van boeddhisme. In de 13de eeuw bedroeg het Mongoolse
rijk 24 miljoen km², iets meer dan de voormalige Sovjet-Unie
(22,4 miljoen km²) en het telde een kwart van de wereldbevolking
(p. 50). De auteur beweert dat de Mongolen geen barbaren waren,
maar tegelijk zegt hij dat ze overal waar ze kwamen de vrouwen
en meisjes verkrachtten en de bevolking uitroeiden (p. 54-62).
In 1238 werd Moskou door hen verwoest. De auteur legt niet uit
waarom het onbeduidende Moskou er bovenop kwam. En evenmin
waarom, ondanks de herhaalde invallen van de Tataren en de vele
branden, Moskou de nieuwe hoofdstad werd en Kiev niet. In 1352
werd Moskou ook getroffen door de pest. Terloops krijgen we
uitgebreid uitleg over de iconenkunst en hun makers, Theophanes
de Griek en Andrej Roebljov.
Vanaf Ivan III (1462-1505) waren de Moskouse vorsten niet meer
afhankelijk van de Gouden Horde. Ivan III veroverde Novgorod,
Pskov, Rjazan en andere steden. Hij regeerde als een despoot met
onbeperkte macht en liet zich ‘tsaar’ noemen. Hij nam de
dubbelkoppige adelaar over van Byzantium als symbool van gezag
over Kerk en Staat en over Oost en West. Hij vervolgde de Joden,
hoewel er prominente Joden aan zijn hof verbleven. Hij nam
Italiaanse architecten in dienst om Moskou te moderniseren en te
voorzien van kathedralen, paleizen en torens. Zijn opvolger Ivan
IV (1530-1584) kreeg de bijnaam ‘De Verschrikkelijke’ of ‘De
Ontzagwekkende’. Hij had een professionele gifmenger in dienst.
Hij kon lezen, maar niet schrijven. In 1547 kreeg hij als eerste
de titel ‘Tsaar van heel Rusland’. Zijn terreurtroepen gedroegen
zich extreem wreed en werden de voorlopers van de hedendaagse
geheime politie. De auteur geeft voorbeelden (p. 133) die doen
denken aan de huidige mishandeling van Oekraïense
krijgsgevangenen. In 1581 doodde Ivan IV zelf zijn zoon. Ilja
Repin maakte er in 1885 een schilderij van. Met Ivan IV eindigde
de Rurik-dynastie. Hij had er zes of zeven huwelijken op zitten,
terwijl de orthodoxe kerk er maximum drie toeliet.
Tijdens tsaar Boris Godoenov (1598-1605) heerste er drie jaar
een hongersnood: van 1601 tot 1603. Mensen aten gras, boomschors
en soms was er kannibalisme. Het was een deel van ‘De Tijd der
Troebelen’ (1598-1613). Die bleef nog lang voortleven in het
collectieve geheugen, zeker tijdens Napoleon, WO II, het einde
van de Sovjet-Unie en de uitbreiding van de NAVO (p. 173).
In 1654 vroegen de Oekraïense kozakken aan tsaar Alexis
bescherming tegen de Polen in ruil voor trouw. In 1674 beweerde
de Pruisische monnik Innocent Giesel, hoofd van het
Grottenklooster in Kiev, ten onrechte dat Rusland en Oekraïne
tegelijk gesticht werden en dus één geheel vormen. In 1686 droeg
Polen de controle op Kiev en op de gebieden ten oosten van de
Dnjepr over aan Moskou, in ruil voor 140.000 roebel (p. 195).
Door deze drie feiten beschouwen vele Russen Oekraïne als een
deel van Rusland.
Peter de Grote stichtte een nieuwe hoofdstad. Hij liet de
tijdrekening aanpassen: Rusland telde voortaan vanaf Christus in
plaats van vanaf de schepping. Ondanks de verwestering bleven
onmenselijke martelpraktijken bestaan. Dit lijkt een constante
in de Russische geschiedenis, net zoals het overmatig gebruik
van wodka (p. 202-204, 289-290).
Bij de brand van 1737 liep de 200 ton zware Tsarenklok
onherstelbare schade op, die in 2026 nog te zien is.
In de 18de eeuw waren de vrouwen aan de macht, met Catharina de
Grote als belangrijkste. Maar ze krijgt hier minder aandacht dan
boef Vanka (1718-1756), aan wie 18 pagina’s besteed worden. In
een later hoofdstuk prijst de auteur haar wel om haar Verlichte
ideeën. In het huidige Rusland wordt ze vooral geprezen om de
verovering van Oost-Oekraïne en van de Krim (1783) door haar
vriend Potjomkin.
Alexander I versloeg Napoleon en liet in 1821-1825 het
Bolsjojtheater bouwen. Alexander II schafte in 1861 de
lijfeigenschap af. Hij werd er niet voor beloond: in 1881 werd
hij vermoord. Zijn opvolger Alexander III was ultranationalist,
orthodox, autocratisch en xenofoob. Terloops krijgen we dan een
pittig beeld van het leven in de (vuile) volkswijk Zarjadje en
van het antisemitisme (p. 286-312).
De bekende straat Arbat mocht niet ontbreken. Er woonden altijd
prominente Russen en veel kunstenaars, o.a. de mystici en de
symbolisten. Ze hadden kritiek op de bolsjewieken, die er de
cafés en kerken afbraken en een aantal symbolisten uit het land
joegen. Vandaag is de wijk een populaire bestemming voor
cultuurtoeristen, voor zover er nog Westerse toeristen komen
sinds 2022. Ze herinnert hen aan Ruslands uitzonderlijke
bijdrage aan de wereldcultuur (p. 326).
De revoluties van 1905 en 1917 worden ook doorgelicht. Bij die
van 1905 gaat er veel aandacht naar de Oekraïense priester
Gapon. Lenin greep de macht in 1917. Hij verloor de eenmalige
verkiezingen en verbood dan in januari 1918 de andere partijen.
In juli 1918 liet hij de hele tsarenfamilie uitmoorden. De
dictatuur van het proletariaat werd een dictatuur van de geheime
dienst. Kloosters en herenhuizen veranderden in overvolle
gevangenissen. Miljoenen werden vermoord of naar Siberië
gestuurd. De bolsjewieken onderdrukten de kerk en de
symbolistische kunstenaars.
De terreur van Stalin krijgt veel aandacht. Onschuldigen werden
eerst gemarteld en dan naar Siberië verbannen of doodgeschoten.
De auteur geeft geen concrete cijfers.
De Moskouse metro krijgt een heel hoofdstuk en terecht: hij is
mooi, altijd proper, goedkoop en functioneel. In de jaren 30
werd er nog met de hand gegraven. Er vielen veel slachtoffers en
menig leidinggevende werd geëxecuteerd (p. 414). De bouwers van
de belangrijke Atoombunker-42 werden wellicht ook geëxecuteerd
om te voorkomen dat ze de geheime locatie zouden verklappen (p.
418).
De Christus-Verlosserkathedraal werd gebouwd tussen 1832 en
1883. In 1931 liet Stalin ze slopen en de laatste resten
opblazen. De fotograaf die de sloop moest filmen, werd er
misselijk van. Er moest een groot volkspaleis komen met plaats
voor 15.000 communisten. Dit mislukte door de moerassige
ondergrond. In 1958-1960 werd er dan het grootste zwembad van
Europa aangelegd: 13.000 m² ! Dat werd in 1991 gesloten wegens
de te hoge kosten. Tussen 1994 en 1999 herrees de kathedraal er
dan met de hulp van buitenlandse sponsors. In 2012 zorgde Pussy
Riot er voor ophef met het punkgebed “Moeder Gods, verban
Poetin”.
De auteur besluit dat 1989 een keerpunt vormde. Toen waren er al
spanningen tussen Rusland en Oekraïne. Poetin zorgde eerst voor
rust en dan voor een harde dictatuur. Groot Moskou telt nu 16
miljoen hoogopgeleide inwoners. Door de sancties zijn de meeste
buitenlandse winkels vertrokken, maar vervangen door Russische
(en Chinese). Poetin zit in een oorlog die vier dagen moest
duren, maar nu eindeloos lijkt.
Na dit lang en meestal boeiend verhaal volgen zwart-wit foto’s,
helaas van matige kwaliteit en zonder verwijzingen naar de
tekst. Er zijn ook 68 pagina’s noten en een register.
Beoordeling
Morrison is een goed verteller, hij kent zijn onderwerp en de
Russische taal door en door, soms zijn er ook ongeloofwaardige
verhalen bij, b.v. dat van Joris de Drakendoder, die drie keer
stierf.
De wandaden van de Tataren werden overgenomen door de Moskouse
vorsten: ze martelden, maakten tegenstanders blind en ze
vergiftigden al vanaf 1453 (p. 95).
Er staan veel plaatsnamen in, maar een kaart van Moskou en van
Rusland ontbreekt. Een tijdtafel had er ook bij mogen zijn. Nu
moet je van veel personen opzoeken wanneer ze leefden of
regeerden.
Kennis van het Russisch is een groot voordeel, want het boek staat vol van Russische woorden, weliswaar enkel in onze spelling.
Nog wat details: op p. 52 citeert hij Willem van Rubroek, maar
in de noten (p. 479) ontbreekt de titel van zijn boek.
Eudoxia/Ευδοξια is geen ‘Latijn’ (p. 83), maar Grieks.
Gosudar/Государ (gouverneur) leidt hij af van het Griekse
despotês / Δεσποτησ(heer en meester): dat lijkt me
twijfelachtig. Michaël heerschappij (p. 180) moet zijn: Michaëls
heerschappij. Pereoelok/Переулок vertaalt hij met ‘laan’ (p.
199): het betekent steegje of straatje.
‘Bedoeld waren Rusland op één lijn te brengen’ (p. 205): beter
is: om Rusland op één lijn te brengen.
Cholmogory /Холмогоры vertaalt hij als ‘lijkenheuvel’ (p. 211),
hoewel het woord lijk (pokojnik/Покойник of mertvetsj/Мертвец)
er niet in zit, wel de woorden heuvel(cholm/Холм) en
berg(gora/Гора). ‘Naxdat’ (p. 246) is een zetfout voor nadat. Na
de nederlaag bij Moskou werd Napoleon eerst verbannen naar Elba.
‘Sint-Helena’ (p. 243) volgde pas na Waterloo. Het
vestigingsgebied voor de Joden dateert hij in ‘1835’: het was er
al in 1791, tijdens Catharina de Grote en het bestond tot 1917.
‘Koerinaja Nozjka/Куриная ножка vertaalt hij als ‘kippenhok’,
(p. 314), terwijl het kippenbout betekent. En ‘Sobatsjja
plosjtsjadka’/Собачья площадка als ‘hondenren (p. 314) in plaats
van hondenpleintje.
Bij de slachtoffers van de metrobouw (p. 414) vergeet hij de
Nederlandse ingenieur Dirk Schermerhorn, die in 1937
geëxecuteerd werd omdat zijn metro niet volledig af was op 7
november 1936, dag van de revolutie. Gelukkig werd hij in 1956
gerehabiliteerd door Chroesjtsjov.
© Jef Abbeel, Turnhout, juli-augustus 2026
www.jefabbeel.be




