Sophy
Roberts(2025). Een school voor olifanten. In het spoor van
Leopolds waanzinnige expeditie naar het hart van Congo.
Vertaling van ‘A Training School for Elephants’ door Tine Poesen
en Janne Van Beek.
Uitgeverij
Lannoo, Tielt, 2025. Hardcover genaaid, 408 pagina’s, kaartjes,
foto’s, lijstjes, noten, bibliografie, index. ISBN
978-90-599-6015-2; € 27,99.
Een school voor olifanten
De
schrijfster is een Britse journaliste, die in 2020 op zoek ging
naar ‘De verloren piano’s van Siberië’ (meteen de titel van dat
boek) en die nu een olifantentocht overdoet.
Inhoud
Een school voor olifanten. In het spoor van Leopolds waanzinnige expeditie naar het hart van Congo
In
1879, zes jaar vooraleer hij Congo in bezit kreeg, liet Leopold
II de Ier Frederick Carter vier tamme olifanten uit Indië
overbrengen naar Afrika, om daar een opleidingsschool voor
Afrikaanse olifanten op te starten en daarmee de rijkdommen van
Congo naar de kust te brengen. Die school kwam er, in het
noordoosten van Congo. Ze staat er nu nog, maar dan half
vervallen en zonder olifanten, want na de onafhankelijkheid in
1960 was er veel onrust en ivoorstroperij.
Olifanten werden destijds ingezet voor werk op de velden, vervoer van hout, aanleg van wegen en spoorwegen, na 1960 ook voor toeristen-safari’s.
Hannibal gebruikte in 218 v.C. al Afrikaanse olifanten in zijn
oorlog tegen de Romeinen, de Britten in 1868 Indische voor een
oorlog in Ethiopië. Leopold had dus voorgangers.
Roberts gebruikt die olifanten-project om te bestuderen hoe het
Europese imperialisme zich over Afrika verspreid had en welke de
gevolgen waren voor de lokale bevolking.
Zij beschrijft het vervoer van India naar Zanzibar, waar
Arabieren uit Oman aan de macht waren en handel dreven in ivoor,
goud en slaven. Mannen, vrouwen en kinderen werden er verkocht
voor de prijs van een ezel of minder (p. 66-67). In 1873 dwongen
de Britten de Omaanse sultan om die meer dan duizend jaar oude
slavenhandel af te schaffen.
Tijdens de voettocht langs de route die Carter met de olifanten
aflegde, vertelt Roberts over het olifantengeheugen, het
slinkend aantal olifanten (“nu nog 5.000 in Afrika,” p. 122-123,
maar een regel verder zegt ze: “50.000 in Tanzania alleen”),
Tanzaniaanse mannen die nu nog 9 à 12 vrouwen hebben en 40 à 50
kinderen, de moeilijkheden waarmee de Europese
ontdekkingsreizigers, kolonisatoren en missionarissen destijds
kampten: hitte, dorst, ziektes, vijandige stammen, gevaarlijke
dieren, slavenhandelaars zoals Tippu Tip (1832-1905) en
krijgsheren zoals koning Mirambo (1840/1860-1884), die ondanks
zijn machtige positie niet kon lezen of schrijven.
Regen, tseetseevliegen, wilde dieren en bijna ondoordringbare
paden deden het plan mislukken. Van de vier olifanten overleefde
er maar één. En die stierf in Karema, Tanzania, op 18 juni 1880.
Wellicht moesten ze te zware lasten dragen (700 kilo i.p.v. 100
kg) en hadden ze te weinig eten en drinken gekregen tijdens de
te lange zeereis (p. 307-308). Carter kwam er niet beter van af:
hij werd in 1880 gedood door inlandse krijgers.
Op het einde vertelt ze ook over de Arabische slavenhandel, die
volgens haar 2,1 miljoen Afrikanen tot slaaf maakte tussen 650
en begin 20ste eeuw (p. 311 en 384). Dat is wel ver van het
werkelijke aantal, dat rond 14 à 15 miljoen lag, nog hoger dus
dan de trans-Atlantische (12 miljoen), die ook minder lang
duurde (ca. 1442-1870).
Na het mislukte experiment met de Indische olifanten liet
Leopold in 1899 in Api, Noordoost-Congo, een school oprichten,
die in 1910, één jaar na zijn dood, 35 afgerichte olifanten
telde. Nadien werd er nog een tweede school opgericht. De
laatste tamme olifant overleed daar in 2010.
Het boek eindigt met een overzicht van de belangrijkste etnische
groepen in Oost-Afrika, de vele personen die betrokken waren bij
de olifanten-tocht van 1879, interessante eindnoten. Helaas
staan er in de tekst geen verwijzingen naar deze noten. Er is
ook een selectieve bibliografie en een index.
Beoordeling
De schrijfster kan heel mooi vertellen, met veel empathie voor
de Afrikanen. Ze heeft een groot inlevingsvermogen en ze toont
een intense belangstelling voor Afrika, zowel voor de mensen,
hun talen en culturen als voor de dieren.
Maar ze is geen objectieve historica. Al in het woord vooraf
laat ze merken dat ze niet onbevooroordeeld is. Soms lijkt haar
boek meer op een pamflet vol verontwaardiging dan op objectieve
geschiedschrijving. Ze benadrukt enkel de negatieve kanten van
de kolonisatie.
Ze steunt te veel op het boek van Adam Hochschild, die het getal
van 10 miljoen doden bedacht en de praktijk van handen afhakken.
Die 10 miljoen (op een toenmalige bevolking van 10 à 15 miljoen)
waren er wellicht een half miljoen en bovendien door diverse
oorzaken: ziektes, ondervoeding en er waren minder geboortes. En
handen afhakken bij Congolezen die de quota voor rubber niet
haalden, was contraproductief, zoals Leopold II destijds zelf al
zei. De zgn. bewijzen zijn schaars: soms was er een medische
oorzaak. Bij de foto uit 1905 van de Britse consul Casement, die
voor verontwaardiging zorgde, was het een ongeval met een
everzwijn. De boeken van Congolese historici die Roberts
tegenspreken staan dan ook niet in de ‘selectieve’ bibliografie:
Jean-Pierre Nzeza Kabu Zex-Kongo: ‘Léopold II. Le plus grand
chef d’Etat de l’histoire du Congo’ (Paris, 2019) en Marcel
Yabili: ‘Le roi génial et bâtisseur de Lumumba, un exercice
critique historique sur le plus grand fake news’ (Lubumbashi,
2020). Ook in dat opzicht is de bibliografie ‘selectief’.
De schrijfster overschat ook het toerisme van de Belgen in 1897:
volgens haar bezocht 1 op 4 Belgen de mensentuin in Tervuren,
terwijl toen bijna niemand buiten zijn dorp of streek kwam.
Geregeld spreekt ze zichzelf tegen in cijfers: op dezelfde
pagina 123 staat dat er nog maximaal 5.000 olifanten zijn in
heel Afrika, maar wel 50.000 in Tanzania alleen. Volgens het WWF
leven er nog 400.000 in Afrika en 45.000 in Azië.
Als de inwoners te veel wild afslachtten, dan lag dat aan de
kolonisatoren die de geweren aan hen verkocht hadden (p. 237).
Elders zegt ze dan weer dat stroperij eeuwenoud was, dus van
vóór de kolonisatie (p. 278). De Arabische slavenhandel van 14 à
15 miljoen slachtoffers wordt herleid tot 2,1 miljoen (p. 311 en
384).
Het boek is mooi uitgegeven, met een stevige kaft en veel
functionele foto’s, die een duidelijk tijdsbeeld geven. De
kaartjes hadden groter mogen zijn en meer plaatsnamen mogen
bevatten.
En een verklarend lijstje van de vele Afrikaanse begrippen zoals
hongo, howda, mahouts, ruga-ruga, boma, tembe, dhow, … zou zeer
welkom zijn.
Bij de landen die Afrika nu uitbuiten, staan geen namen. Ze had
wat dat betreft beter en correcter China, Rusland en de VS wél
uitdrukkelijk vermeld.
De schrijfster zegt dat Duitsland na WOI zijn kolonies moest
afstaan aan de Britten (p. 141 en 199). Dat klopt slechts
gedeeltelijk: België kreeg Rwanda en Burundi, Zuid-Afrika kreeg
Zuidwest-Afrika/Namibië. Eén zetfoutje: p. 250: wrattenzijn moet
wrattenzwijn worden.
ees een fragment
© Jef Abbeel, Turnhout, www.jefabbeel.be, maart 2026




