artikelen over geschiedenis didactiek
Leerlijn geschiedenis
Rekenen/wiskunde en taal hebben een referentiekader. De moderne vreemde talen hebben een Europes Referentie Kader (ERK). Is het mogelijk om ook voor geschiedenis een dergelijk referentiekader te maken?
Inhoud
Naar een doorlopende leerlijn geschiedenis
Doel van een referentiekader geschiedenis tweeledig. In de eerste plaats moet het de van leerlingen in het schoolvak geschiedenis zichtbaar maken, in de tweede plaats moet het handvatten bieden om die groei te bevorderen. Hoe kun je je onderwijs zo inrichten dat leerlingen steeds beter worden in geschiedenis.
Om een poging te wagen moet je uiteraard eerst zo helder mogelijk in kaart brengen wat het betekent dat een iemand beter wordt in geschiedenis. je jkunt dan aan een aantal zaken denken:
Kennis: Deze groei heeft betrekking op:
| Kennis |
oriëntatiekennis (kennis van
unieke begrippen) |
van steeds meer tijdvakken/periodes in de geschiedenis |
| oriëntatiekennis (kennis van generieke begrippen) | toenemende kennis van algemene historische concepten en begrippen | |
| Vaardigheden | oorzaak/gevolg | |
| continuteït en verandering | ||
| standplaatsgebondenheid | ||
| Epistemologische opvattingen |
Wat is een
(doorlopende) leerlijn
In de definitie van het Expertisecentrum Nederlands
(Aarnoutse & Verhoeven, 2003) van (doorlopende)
leerlijnen ligt de nadruk op ontwikkelings- en
leerprocessen: 'Een leerlijn beschrijft in hoofdlijnen
de ontwikkelings- en leerprocessen die kinderen
doorlopen op basis van gegeven onderwijs'. Het
Freudenthal Instituut (Van den Heuvel-Panhuizen & Buys,
2004) voegt daar in haar definitie inhouden en didactiek
aan toe: 'Een leerlijn heeft drie vervlochten
componenten:
• de inhoudslijn: onderwijsinhouden die achtereenvolgens
aan bod komen
• de onderwijslijn: vakdidactische aanwijzingen
• de lijn van de lerende: globaal overzicht van de
leerprocessen van de leerlingen
De Onderwijsraad (2005) spreekt van leerstofcomponenten:
'Een doorlopende leerlijn is een geordende reeks
leerstofcomponenten die qua vakbegrippen, terminologie
en methodologische aanpak grotendeels overeenstemmen, en
leerstofjaren en/of opleidingen overstijgen.'
Strijker (2010) geeft een samenvattende definitie,
waarin hij de nadruk legt op leerdoelen: 'Een leerlijn
is een beredeneerde opbouw van tussendoelen en inhouden,
leidend naar een einddoel. Hij voegt er dan aan toe dat
leerlijnen - afhankelijk van de precieze functie,
gebruikscontext en doelgroep - variëren in de mate
waarin implicaties voor verschillende leerplanelementen
zijn uitgewerkt.
Eindtermen
In de examenprogramma's en syllabi voor de bovenbouw van
het voortgezet onderwijs worden op vier niveaus
eindtermen beschreven voor de historische vaardigheden
(historisch denken en redeneren), voor vmbo bb en kgt en
voor havo en vwo. Voor de onderbouw ontbreken deze. Toch
ligt het voor de hand deze ook voor de onderbouw te
beschrijven. Voor een deel van de leerlingen – zij die
in de bovenbouw geen geschiedenis hebben – gaat het dan
om eindtermen, voor de overige leerlingen om
tussendoelen. Het ligt voor de hand de
tussendoelen/eindtermen voor de onderbouw af te leiden
van de eindtermen voor de bovenbouw en ook ene
vergelijkbare systematiek te gebruiken.
Leerlingen historisch vaardig maken
Hoe kun je op basis van de
tussendoelen en eindtermen een onderwijsprogramma maken
dat leerlingen helpt historisch vaardiger te worden. Met
andere woorden hoe maak je opdrachten die in de loop van
de leerjaren een steeds groter beroep doen op
historische vaardigheden, zodat dat ze een groei in
historisch denken en redeneren doormaken.
Je kunt de eindtermen/tussendoelen,
zoals die voor het eind van de onderbouw zijn
geformuleerd, nog verder verfijnen door tussendoelen per
leerjaar te formuleren (zie tabel 6 t/m 9). Vervolgens
maak je voor elk leerjaar opdrachten die aansluiten bij
deze tussendoelen. Deze benadering is weliswaar niet
onmogelijk, maar doet enigszins gekunsteld aan. Het
onderscheid tussen het eindniveau van klas 1 en 2 (vmbo)
of 1, 2 en 3 (havo/vwo) is moeilijk te maken en
bovendien tamelijk willekeurig.
Een andere mogelijkheid is om
leerlingen vanaf het begin bekend te maken met de
eindtermen/tussendoelen en opdrachten te maken waarin op
een of meer aspecten een beroep wordt gedaan, al naar
gelang het leerjaar en/of niveau van de leerlingen. Ook
kan ervoor gekozen worden om zo open mogelijke
opdrachten te maken, waar elke leerling op zijn eigen
niveau invulling aan kan geven.
Schotland
Basisschool Bron en vraagstelling Op het laagste niveau moeten
leerlingen weten dat er verschillende soorten bronnen
zijn om iets over het verleden te weten te komen. Op een
volgend niveau moeten leerlingen weten dat niet alle
informatie uit bronnen even betrouwbaar is en moeten ze
hiermee rekening kunnen houden. Op het eind van het
basisonderwijs moeten leerlingen primaire en secundaire
bronnen kritisch kunnen gebruiken bij onderzoek naar
gebeurtenissen uit het verleden. Onderbouw vo Op het eind van klas 2 moeten
leerlingen hun kennis van een tijdvak kunnen gebruiken
om op basis van bronnen een onderbouwde interpretatie te
geven. Op het eind van de onderbouw moeten leerlingen
een oordeel kunnen geven over elkaar tegensprekende
bronnen in een onderbouwing van een bewering.
Mogelijkheid 1
Mogelijkheid 2
Bij het maken van dergelijke
opdrachten kan gebruik worden gemaakt van de
moeilijkheidscan (tabel). Deze scan maakt inzichtelijk
op welke aspecten de opdracht moeilijk is.
Nagenoeg altijd worden leerdoelen geformuleerd bij een
specifiek onderwerp. Dat geldt niet alleen voor
verschillende thema's als 'De ontdekkingsreizigers' of
'De opstand van de Nederlanden tegen Spanje', maar ook
voor veel meer gelijkwaardige onderwerpen als de Eerste
en de Tweede Wereldoorlog. Vreemd is dit natuurlijk niet
als je ziet dat de nadruk in het geschiedenisonderwijs
nog steeds heel sterk ligt op kennis van personen,
gebeurtenissen en ontwikkelingen, en vele minder op
historisch denken en redeneren.
De paragraaf over 'De Opstand' in Memo (2 vwo-editie)
bevat bijvoorbeeld op het eind van het hoofdstuk en dus
eerder als een soort van samenvatting dan als
richtinggevende leerdoelen, zes inhoudelijk eisen. Ze
hebben de vorm van 'wat je moet kennen en kunnen'. Voor
het hele hoofdstuk is er slechts één vaardigheidsdoel
geformuleerd.
Drie van de zes inhoudelijke leerdoelen hebben een
beschrijvend karakter en beginnen dan ook met 'hoe', in
één leerdoel moeten de leerlingen weten dat de
Nederlanden uit elkaar vielen en de overige twee hebben
betrekking op oorzaken van respectievelijk 'De Opstand'
en 'De Beeldenstorm'. Hoewel hier gevraagd wordt naar
oorzaken, is er geen sprake van een vaardigheid, maar
van reproductieve kennis. De enige vaardigheid die
leerlingen in het betreffende hoofdstuk moeten beheersen
is dat zij bij het onderzoeken van een bron rekening
moeten houden met de standplaatsgebondenheid van de
maker.
Je zou er ook voor kunnen kiezen om bij elk onderwerp
gebruik te maken van een en dezelfde set leerdoelen.
Leerdoelen die dan ook aan het begin van de leerstof
worden geplaatst. Met betrekking tot de inhoud van de
leerstof zou je je kunnen beperken tot de volgende drie
leerdoelen:
Je kunt …
• het onderwerp plaatsen in het juiste tijdvak/de juiste
tijdvakken en in de juiste periode (Prehistorie,
Oudheid, Middeleeuwen, Vroegmoderne Tijd of Moderne
Tijd).
• de gebeurtenissen, verschijnselen, ontwikkelingen en
personen die van belang zijn voor het onderwerp met
behulp van een tijdbalk ordenen.
• herkennen/beschrijven/uitleggen welke rol de
gebeurtenissen, verschijnselen, ontwikkelingen en
personen in dit onderwerp hebben gespeeld.
Door de leerdoelen zo open te formuleren bevorder je
niet alleen dat de leerlingen een actieve houding
aannemen, maar ook dat zij leren elk thema op een
vergelijkbare manier te benaderen. Bij elk onderwerp
moeten zij zich afvragen welke gebeurtenissen,
verschijnselen, ontwikkelingen en personen van belang
waren en waarom. De leeractiviteiten moeten daarop
afgestemd zijn.
Misschien nog wel belangrijke is een set leerdoelen die
betrekking hebben op historische denken en redeneren.
Onderstaande leerdoelen zijn afgeleid van de
examenprogramma's (en syllabi) van vmbo en havo/vwo.
Je kunt …
Met betrekking tot de vaardigheid bron en vraagstelling
• een historische vraag bedenken met betrekking tot het
onderwerp en daarbij onderscheid maken tussen een
beschrijvende, verklarende, vergelijkende en waarderende
vraag.
• uit bronnen informatie selecteren voor het
beantwoorden van de vraag en daarbij:
o nagaan of de bronnen bruikbare informatie opleveren.
o nagaan of de bronnen betrouwbare informatie opleveren.
o nagaan of de bronnen een representatief beeld geven.
• Uitspraken/conclusies ondersteunen met argumenten
(ontleend aan bronnen).
Met betrekking tot oorzaak/gevolg
• oorzaak/gevolg relaties in een historisch proces
verklaren
• (in een of meer bronnen) één of meer oorzaken van
herkennen en aangeven of het om een:
o culturele (religieuze), sociale, politieke of
economische oorzaak gaat (soort oorzaak).
o directe oorzaak (aanleiding) gaat of om een indirecte
oorzaak.
o belangrijke of minder belangrijke oorzaak gaat.
o incidentele of een structurele oorzaak gaat.
• (in een of meer bronnen) één of meer gevolgen
herkennen en aangeven of het om een:
o culturele (religieuze), sociaal, politiek of
economisch gevolg gaat (soort gevolg).
o gevolg op lange of korte termijn gaat.
o belangrijk of een minder belangrijk gevolg gaat.
o bedoeld of onbedoeld gevolg gaat.
Met betrekking tot continuïteit en verandering
• Uitleggen welke (belangrijke) historische
veranderingen er hebben plaatsgevonden in een historisch
proces en wat gelijk is gebleven. Je kunt hierbij
aangeven of deze veranderingen:
o tamelijk snel en plotseling of langzaam en geleidelijk
hebben plaatsgevonden.
o lang of kort duurden.
o groot en belangrijk waren of klein en onbelangrijk.
• (In een bron) een of meer veranderingen in een
historisch proces herkennen.
Met betrekking tot standplaatsgebondenheid
• Bij het beschrijven en verklaren van historische
gebeurtenissen, verschijnselen en ontwikkelingen:
o rekening houden met opvattingen, waarden en motieven
van mensen in het verleden en het heden.
o rekening houden met het feit dat mensen in andere
tijden niet over dezelfde kennis konden beschikken als
wij nu.
Met betrekking tot interpretatie
• In beschrijvingen (in primaire of secundaire bronnen)
van gebeurtenissen en ontwikkelingen herkennen dat
geschiedenis een kwestie van interpretatie is.
Als deze leerdoelen gelden voor elk onderwerp leren
leerlingen dat zij telkens dezelfde vragen aan een
onderwerp moeten stellen. Zij zullen dan merken dat niet
alle aspecten voor elk onderwerp van even groot belang
zijn, of dat zij op bepaalde vragen geen antwoord
krijgen.
Als aanvulling op deze leerdoelen kun je, wanneer in een
onderwerp generieke concepten aan de orde komen,
leerlingen ook een vaste set vragen laten beantwoorden.
Belangrijk voordeel hiervan is dat de kennis over en
begrip van het concept in de loop van de tijd zal
toenemen. Bovendien wordt het voor leerlingen
gemakkelijk na te gaan wat er in de loop van de tijd met
betrekking tot het concept verandert of juist hetzelfde
blijkt. Als het concept macht ter sprake komt geeft het
leerlingen bijvoorbeeld meer zicht op overeenkomsten en
verschillen tussen de politieke situatie in een absoluut
geregeerd land en de 'Republiek der Zeven Verenigde
Nederlanden' als zij voor beide situaties dezelfde
vragen over macht moeten beantwoorden. Bijvoorbeeld:
1. Wie heeft of wie hebben de macht?
2. Over wie of wat hebben zij macht?
3. Waarom hebben zij macht? Waarop is macht gebaseerd
(geld, grond)?
4. Van wie is de macht afkomstig (legitimiteit van
macht)?
5. Om wat voor soort macht gaat het, politieke,
economische of kerkelijke macht?




