home algemeen sites historische literatuur op alfabet op periode Nederlandse romans Indonesië W.O.II


Historische Romans
 

 

 

 

De verborgen tombe

Huub PragtHilversum, 2008, 287 blz. ISBN 978-90-810474-2-5; € 19,90

Het was een tijd van plunderingen. Maät was verdwenen. 

(Pinodjem, hogepriester van Amon tot zijn zonen, De verborgen tombe, p. 77) 

Inhoud

Wat heeft de verdwijning van drie toeristen in Loeksor en van een journalist voor een regionale Nederlandse krant in 2008 te maken met een zeer ambitieuze en plichtsbewuste familie Amonpriesters in het Thebe van de 21ste dynastie?

In zijn debuutroman De Verborgen Tombe neemt de Nederlandse egyptoloog Huub Pragt ons mee naar het Oude Egypte rond het jaar 1000 voor Christus.

Kevin Savernake is een veelbelovende jonge egyptoloog uit Oxford. Hij bereidt een proefschrift voor over een van de zonen van Pinodjem, namelijk de generaal en hogepriester van Amon, Mencheperra (de naam betekent:‘Blijvend is de Ontstaansvorm van Ra’), die omstreeks 1000 v. Chr. als farao niet minder dan 55 jaar over Opper-Egypte regeerde. Op een avond ontdekt hij op de rugzijde van een zwaar beschadigde papyrus uit Aberdeen enkele merkwaardige lijnen, die hem op een idee brengen. Zijn vriend, de cartograaf Marc Spencer, is ervan overtuigd dat het inderdaad gaat om een kaart uit de 21ste dynastie. 

De twee vrienden besluiten naar Egypte te reizen om alle plaatsen te bezoeken die verband houden met Mencheperra en zijn familie. 

Voor het zover is maakt het verhaal een sprong in de tijd naar het familiepaleis van Pinodjem, hogepriester van Amon, in Teudjoi. Het jaar is 1048 v. Chr., 16de regeringsjaar van Nesibanedjet I. De macht van Ramses XI en zijn opvolgers was sinds lang tanende. Grafrovers plunderen onbeschaamd de rotsgraven in het Dal der Koningen. En wat erger is, in hun goddeloze jacht naar schatten, beschadigen en verminken zij de mummies van de grote farao’s. 

Daarom voert Pinodjem met de hulp van zijn zonen Masaharta en Mencheperra een veelomvattend plan uit, dat reeds in gang gezet was onder zijn voorgangers. De uitwerking zal lopen over tientallen jaren en drie generaties. Om de grafrovers voor te blijven halen zij de mummies van de farao's uit het Nieuwe Rijk uit hun graven. De priesters lieten de mummies van de koningen en koninginnen in eenvoudige houten kisten herbegraven in goed verscholen cachettes. De kostbare grafuitrustingen werden elders verstopt. Op deze manier vergaarde de familie van Pinodjem een enorm fortuin. Maar wat is daarmee gebeurd? 

Kevin en Marc starten hun bezoek in Karnak, als gewone toeristen, maar dan wel gefocust op de activiteiten van Mencheperra en zijn familie. En dat blijkt heel wat meer te behelzen dan men zou vermoeden!

Helaas, door de naïeve loslippigheid van Marc alarmeren zij in Loeksor de almachtige hoofdinspecteur el-Hadidi (duidelijk gemodelleerd op Zahi Hawass, de Omar Sharif van de archeologie). Met verregaande gevolgen voor alle betrokkenen. 

(Hopelijk is de echte Zahi Hawass minder meedogenloos dan zijn evenknie in de roman. Hoewel, als je denkt aan zijn brutale en ongerechtvaardigde rancuneuze behandeling van Joann Fletcher, een jonge gerenommeerde Engelse egyptologe, reeds auteur van een succesrijk boek over Amenhotep III, de vader van Amenhotep IV, die zijn naam veranderde in Echnaton (1). En dat alleen maar omdat zij claimde de mummie van Nefertiti te hebben geïdentificeerd in de tombe van Amenhotep II (KV35) waar ze indertijd in veiligheid was gebracht door Pinodjem of zijn zonen - en daarmee belanden we weer bij de roman!)

Hoofdstuk 6.  De Thebaanse westoever 

December 2007 

Hoofdinspecteur Mahmoed el-Hadidi van de Oudheidkundige Dienst in Loeksor was een belangrijk man. Vanuit zijn kantoor naast het ticket office, zo'n vierhonderd meter ten westen van de Memnonkolossen, bepaalde hij wat er hier gebeurde en niemand anders. El-Hadidi was ongeveer zestig en ging steevast gekleed in een blauw overhemd en een spijkerbroek. Niemand had hem ooit gezien zonder Indiana Jones-hoed. De hoofdinspecteur was nogal ingenomen met zichzelf en had daar ook alle reden toe. Hij was beroemd. Er was niemand die zijn archeologische documentaires op Discovery Channel en National Geographic Channel niet kende. Over de hele wereld had hij belangrijke onderscheidingen in ontvangst genomen. Maar El-Hadidi wist zelf natuurlijk ook wel dat zijn internationale collega-archeologen achter zijn rug over hem roddelden. Maar voorlopig konden ze niet om hem heen. Hij had vooral de schurft aan de Britten, en niet alleen omdat die zijn land tot in de 50-er jaren bezet hadden gehouden. De neerbuigende vanzelfsprekendheid waarmee Britse archeologen in zijn Loeksor te werk gingen stak hem. Verder was Mahmoed el-Hadidi van mening dat maar één persoon op de wereld het recht had gehad het graf van Toetanchamon te vinden. Dat was hij, en niet Howard Carter. Dat dit allemaal in 1922 had plaatsgevonden, voordat hij geboren was, deed er voor de hoofdinspecteur niet toe. 

En nu kwam er weer dit telefoontje van zijn neef Hassan. Ergens in Loeksor liepen er twee Britten rond met meer dan gemiddelde belangstelling voor het verboden gebied op de westoever, achter het Dal der Koningen. El- Hadidi dacht even na en pakte toen de telefoon. 'Zoek Karim en Omar. Ik moet ze direct spreken.' (p. 51)

In Armant, zuidelijk van Thebe, stond eertijds een fort van Mencheperra. Hier, bij de opgravingen van het tempelcomplex, gewijd aan de god Monthoe, ontmoeten de twee vrienden de jonge Franse archeologe Isabelle Montet, die op beiden een grote indruk nalaat. Een ontmoeting, eveneens niet zonder gevolgen voor de betrokkenen. Zij is een achternicht van de beroemde egyptoloog Pierre Montet (1885-1966) (2). De vrienden ronden hun eerste terreinverkenning af, zonder te vermoeden dat hoofdinspecteur el-Hadidi al hun gangen nagaat met behulp van hun toch zo vriendelijke en gedienstige taxichauffeur. 

Terug in Oxford zetten zij hun onderzoek verder. Kevin zoekt Isabelle op in Parijs. Zij geeft hem de brieven van haar oud-oom aan zijn vrouw te lezen. Hieruit blijkt dat hij het nog steeds onbekende graf van Mencheperra op het spoor was, vlak na de Tweede Wereldoorlog, maar van de Egyptische Oudheidkundige Dienst geen concessie los kon weken. Maar hoe zijn dan drie voorwerpen, kennelijk uit dit graf afkomstig, beland in de verzameling van het Museum voor Oudheden te Leiden? 

Tussen de bedrijven door volgen we regelmatig de belevenissen van de ouder wordende Pinodjem en zijn zonen Mencheperra en Pasebachanioet (de naam betekent:‘de ster die voor de stad verschijnt’). De eerste volgt zijn vader op als hogepriester van Amon in Karnak. In 1034 v. Chr. voelt Pinodjem zich sterk genoeg om een veldtocht te ondernemen tegen het noorden, met het doel zijn jongste zoon Pasebachanioet op de troon te brengen in Tanis. Dit lukt inderdaad, nadat Pasebachanioet de kersverse farao Amenemnisoe persoonlijk heeft verslagen in een duel.

De alerte lezer heeft al lang begrepen dat er twee tijdlijnen zijn in het boek: één in het heden en een tweede in het Oude Egypte. De eerste splitst zich dan nog, wanneer het verhaal dit vereist, in een paar zijtakken naar de 19de en het begin van de 20ste eeuw toe. Zo belanden we ook bij Waldo van Elst, journalist bij een regionale Nederlandse krant en woonachtig in Lochem. 

Samen met Marc Spencer en Isabelle reist Kevin weer naar Egypte. Vinden ze ook het graf? Waarom reist Waldo van Elst hen na, ondanks zijn pathologische angst om te vliegen? Wat met de rancuneuze en mediageile el-Hadidi? Misschien dat daar, in het Gebied achter Thebe het antwoord ligt op vele oude raadsels. En tenslotte: wat met de onstuimig ontluikende liefdesgeschiedenis tussen Kevin en Isabelle? 

Geen voetnoot in de geschiedenis 

Eindelijk nog eens een intelligente roman! Een ware verademing na al die middelmatige epigonen van De Da Vinci Code met hun vergezochte plotlijnen! En het bewijs dat je hypotheses en zelfs feiten soms beter kunt presenteren in romanvorm dan in een wetenschappelijke studie, waar je het risico loopt dat je argumenten door je zo amicale collega’s worden weggehoond. In een roman speelt de factor inleving trouwens veel sterker dan in een wetenschappelijk essay. Je voelt je als lezer veel meer betrokken bij de diverse personages uit heden en verleden. Je wordt als het ware het verhaal binnengezogen. De schaarse teksten op papyri of mummiewindsels worden bekleed met vlees en bloed; de dode voorwerpen in de museumvitrines gaan vibreren van leven. (Zeker als je, zoals de auteur, je roman kunt larderen met lezingen, rondleidingen in het museum, reizen in Egypte…)

Volgens het geloof van de Oude Egyptenaren is dit zelfs letterlijk te nemen: staat er immers niet geschreven dat een persoon blijft voortleven zolang zijn of haar naam wordt uitgesproken?

Tenslotte bereik je als auteur op deze manier tevens een veel ruimer geïnteresseerd publiek dan louter een kleine kringetje sceptische wetenschappers. Dat is dan ook mooi meegenomen. 

Je hoeft Egypte niet bezocht te hebben om het verhaal te kunnen smaken, maar dat helpt. Voor de anderen bevat het boek drie duidelijke kaarten en een overzicht van de voornaamste hoofdrolspelers uit de 21ste dynastie. Belangstelling voor het Oude Egypte is echter wel degelijk vereist! 

Het verhaal van de faraomummies in de cachettegraven die in 1881 ‘ontdekt’ werden op aanwijzing van de beruchte grafroversfamilie Abd el-Rasoel las ik vele jaren geleden voor het eerst bij mijn allereerste kennismaking met de geschiedenis van de archeologie, het bekende Goden, graven en geleerden van C. W. Ceram, (1915-1972) (3). Deze grafroversfamilie speelt in de roman een prominente rol op verschillende, ver van elkaar verwijderde tijdstippen. 

De 21ste dynastie wordt meestal beschreven als een tijd van verval op alle terreinen, met krachteloze farao’s en veel te machtige, hebzuchtige Amonpriesters. Het is de grote verdienste van Huub Pragt dat hij deze periode uit het duister haalt in een erudiete, maar zeer leesbare en spannende evocatie van een hele era uit de Egyptische geschiedenis. Op basis van veel en multidisciplinair bronnenonderzoek nuanceert De verborgen tombe het gangbare beeld zeer sterk. Hierna ga je de ‘Derde Tussenperiode’ gegarandeerd voorgoed met andere ogen bekijken. 

De auteur verdient een bijzondere pluim voor de wijze waarop hij de romanfictie ent op de historische realiteit en op de mazen in het net van die historische realiteit - wat per definitie de onmisbare criteria zijn voor een goede historische roman. Of anders geformuleerd: hij vult de gaten op met fictie, waarbij de eerder schaarse bekende feiten zorgen voor de logische verbindingsdraden van het netwerk. Drie voorbeelden (uit veel meer) om dit te verduidelijken: 

1. “Mencheperra stuurde daarom één van de binnensarcofagen van de Goede God Merenptah, een prachtig bewerkte kist uit rood graniet. De binnenkant van het deksel vertoonde een gebeeldhouwde voorstelling van de hemelgodin Noet. Het gouden dodenmasker voor Pasebachanioet was ook afkomstig van de mummie van de Goede God Merenptah, wiens zwart basalten ingelegde rechteroog bij het transport vanuit Thebe beschadigd raakte (p. 161). 

Deze voorwerpen behoren tot de grafvondsten, in 1939 door Pierre Montet ontdekt in Tanis. Op internet en in de meeste (populaire) naslagwerken vind je Pasebachanioet nog steeds vermeld onder zijn Griekse naam Psoesennes. Op Wikipedia krijg je de details over de herkomst niet! Ze kloppen nochtans. Zo kom je tevens tot de vaststelling dat het dodenmasker in een recent boek over Egypte in spiegelbeeld is afgedrukt (4)!

 

Dodenmasker van Pasebachanioet I (1034-981), zoon van Pinodjem I, broer van Mencheperra. Regeerde 53 jaar over Neder-Egypte vanuit Tanis. Ontdekt in 1939 door Pierre Montet in Tanis. Het schitterende dodenmasker hoorde oorspronkelijk toe aan Merenptah (1212-1202 v. Chr.), zoon en opvolger van Ramses II (19de dynastie).

Goud met lapis lazuli en glazen inlegwerk; h. 48 cm; b. 38 cm; bladgoud, 6 mm; Cairo, Egyptisch Museum, JE 85913.

In de ongeschonden koningsgraven van Tanis werden in het totaal vier gouden dodenmaskers aangetroffen: drie farao’s en Wendjebaoeëndjed (generaal en wapenbroeder van Pasebachanioet; redt in de roman diens leven bij het tweegevecht met Amenemnisoe, de kortstondige farao van Noord-Egypte). Het masker van Pasebachanioet I is het mooiste en wordt alleen door het wereldberoemde dodenmasker van Toetanchamon overtroffen. Het masker lag onmiddellijk op het gezicht van de mummie, die in meerdere in elkaar passende lijkkisten en sarcofagen was begraven.

2. De tweede zoon van Pinodjem heeft een verhouding met zijn schoonzus Tajoeherit. In Leiden wordt op een papyrusrol van niet minder dan 11 m een schitterend uitgevoerd Dodenboek bewaard van een zekere Tajoeherit, “zangeres van Amon-Ra” uit Thebe en uit de besproken tijd. Kevin en Isabelle bestuderen de rol tijdens hun bezoek aan Leiden (p. 171).

3. Het zilveren miniatuurbeeldje van het meisje. Als Pragt -via zijn hedendaagse hoofdpersoon Kevin- het bij het rechte eind heeft, hoort het zeker niet bij Thoetmosis III doch bij zijn latere naamgenoot Mencheperra!

 

Eerst volgt de tekst uit de museumgids, daarna de commentaar.

13. Miniatuurbeeldje van een meisje zilver, goud en hout, h. 5,5 cm, herkomst onbekend, Nieuwe Rijk, ca 1450 v. Chr. of later 

Een raadselachtig voorwerp is dit minuscule meisjesfiguurtje. De kleding van het meisje, een gordel met halflang schort en een los bovenstukje, is niet in overeenstemming met de gebruikelijke mode van het Nieuwe Rijk. De kledingstukken, de pruik en de arm- en enkelbanden zijn van bladgoud, terwijl het figuurtje zelf van massief zilver is. Op de zijkant van het trapvormige houten voetstukje is de cartouche van Thoetmosis III aangebracht. De naam van deze machtige farao werd na zijn dood als gelukbrengend beschouwd. Het beeldje behoeft daarom niet per definitie uit zijn regeringsperiode te stammen. Mogelijk moet het figuurtje als amulet beschouwd worden. Het geeft een goede indruk van het vakmanschap van de Egyptische edelsmeden in een tijd waarin buitenlands goud en zilver het land binnenstroomden in de vorm van krijgsbuit of belastingen. 

(Bron: Schneider, H. (red.), Rijksmuseum van Oudheden, Leiden, Rijksmuseum, 1981, p. 68) 

In De verborgen tombe (p. 175) is dit een van de voorwerpen uit het graf van Mencheperra die eertijds clandestien in het museum zijn terechtgekomen. Op de foto is dit niet zo duidelijk zichtbaar, maar op de zijkant staat inderdaad de naam Mencheperra in een cartouche, eveneens een der namen van Thoetmosis. Zelfs voor het catalogusnummer (effectief AO IIC, zoals in de roman) past Huub Pragt een plausibele verklaring in!

Voor mij was het enige echte tekort het ontbreken van illustraties. (Alle besproken voorwerpen opnemen zou alleszins onmogelijk geweest zijn: niet alleen omdat het de omvang van het boek zou verdubbelen, maar ook omwille van de exorbitante reproductierechten die musea tegenwoordig durven eisen.) Edoch, in feite werd dat gecompenseerd door de ontdekkingstocht waartoe de auteur me daardoor noopte; een zoektocht in mijn eigen ‘historisch netwerk’ van boeken, dvd’s, cd-roms en op internet. Vooral dat laatste zorgde voor onverwachte vondsten en zowaar voor intellectueel genot. (Een kans die romans maar al te zelden opleveren!) Al was het maar door wat ik aantrof over Pierre Montet en zijn opgravingen in Tanis in 1939-1940. Die worden qua schatten alleen overschaduwd door het graf van Toetanchamon en zijn bij het grote publiek helaas vrijwel totaal onbekend! 

Als ik zijn roman eerder had gelezen, zou mijn laatste bezoek aan het Louvre, in juli 2008 anders zijn verlopen. Nu was ik op zoek naar zeer specifieke beelden uit het Oude Rijk en de 18de dynastie. Ik herinner me slechts één voorwerp van de vele die Kevin Savernake en Isabelle Montet de revue laten passeren. Een zelfde opmerking geldt voor mijn laatste bezoek aan het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden (maar dat dateert al van de tentoonstelling Farao’s van de Zon in 2001) waar ik de grafkapel van Hetepherachet uit het Oude Rijk en die van Horemheb uit het Nieuwe Rijk wilde exploreren. (Sinds enkele jaren zijn we betrokken bij een project rond de digitale restauratie van de grafkapel van Neferirtenef, een tijdgenoot van Hetepherachet, in het Brusselse Jubelparkmuseum, vandaar…) Voor Leiden kon ik gelukkig de belangrijkste besproken voorwerpen terugvinden in mijn gids van het museum (5). En ook hier biedt Pragt zoals gezegd een gefundeerde correctie op de gangbare verhalen! Wil je meer afbeeldingen die bij zijn roman horen, kijk dan op Google eens bij Pierre Montet en volg daar wat hyperlinks. Je ontdekt gegarandeerd dingen die je niet wist!  

Tot slot nog een compliment voor de smaakvolle omslag en de verzorgde uitgave (in eigen beheer). En even vermelden dat ook Huub Pragt een eigen website heeft, waar je desgewenst meer gegevens vindt (6) 

Opgelet

In Het oude Egypte. Opkomst en ondergang van een beschaving (2011) geeft Toby Wilkinson op p. 423 e.v. een heel ander, negatief beeld van de 21ste dynastie, dan Huub Pragt. Hij schildert Pinodjem en de zijnen af als een troep vulgaire grafrovers. Waarschijnlijk heeft Wilkinson het helaas bij het rechte eind, maar toch blijf ik de visie van Pragts roman verkiezen. Geschiedenis is immers niet altijd verlopen in wit of zwart.

Noten
 

1. Fletcher, J(oann), Amenhotep, Zonnekoning van Egypte, Alphen a.d. Rijn, ICOB, 2000.

    Fletcher, J., Op zoek naar Nefertiti, Vianen-Antwerpen, The House of Books, 2005.

2. Montet, P., Zo leefden de Egyptenaren, Baarn, Hollandia, 1978, 4de druk; oorspr.: La vie quotidienne en Egypte au temps des Ramsès, 1946.
Op internet is een heel boek van hem te exploreren over scènes uit het dagelijks leven: Scènes de la vie privée dans les tombeaux égyptiens de l'ancien empire, Strasbourg, Presse universitaire, 1925.
 

3. Ceram, C.W., Goden, graven en geleerden, ’s-Gravenhage, Nederlandse Boekenclub, 1971; oorspr. Götter, Gräber und Gelehrte, 1949.

4. Schulz, R. & M. Seidel (red.), Egypte. Het land van de farao’s, Keulen, Könemann, 1997, p. 280.

5. Schneider, H. (red.), Rijksmuseum van Oudheden, Leiden, Rijksmuseum, 1981, p. 68-70 & 73-75.

6. Huub Pragt: http://www.egyptologie.nl/index.html

Jos Martens