Chun Han
Wong (2024). Eenmanspartij. Xi Jinping en de toekomst van China
als wereldmacht.
Vertaling
van ‘Party of One’ (2023) door Jan van den Berg e.a. Uitgeverij
Prometheus, Amsterdam/L&M, Antwerpen, juli 2024. Paperback, 413
pagina’s, kaart, organogram, noten, register.
ISBN
978-90-446-5760-9; € 27,50.
Eenmanspartij. Xi Jinping en de toekomst van China als wereldmacht
De auteur is een Chinees uit Singapore. Hij was correspondent voor The Wall Street Journal in Beijing van 2014 tot 2019 en in Hongkong vanaf 2019, toen de Chinese regering hem dwong het vasteland te verlaten. De Engelstalige editie dateert van mei 2023: toen waren er in de Westerse pers nog geen geruchten over een einde van de macht van Xi.
Inhoud
Eenmanspartij. Xi Jinping en de toekomst van China als
wereldmacht
Jef Abbeel
Chun
beschrijft de CCP (Chinese Communistische Partij) als
pragmatisch en als ideologisch in verval sinds Deng. Xi (°1953)
beteugelde de kapitalistische ondernemers, vooral als ze zich
met de politiek moeiden en hij keurde Westerse ideeën over
mensenrechten, vrije pers en onafhankelijke rechtspraak af in
zijn Document Nummer 9 (p. 227). Zijn macht is even groot als
die van Mao, zijn beeltenis is overal aanwezig, maar hij is niet
zo begeesterend als Mao (p. 22-23).
Ik twijfel eraan of de partij ideologisch in verval is: de
Chinezen moeten het gedachtegoed van Xi op hun gsm hebben en
geregeld bestuderen. Chun vermeldt ook niet dat de dissidente
journalist Gao Yu, die in juli 2013 Document nr. 9 bekend
maakte, 7 jaar cel kreeg wegens ‘lekken van staatsgeheimen’.
Xi bestrijdt de Westerse dominantie met zijn indrukwekkende
Nieuwe Zijderoute, met de Asian Infrastructure Investment Bank
en met een agressief optreden in Azië. Deng had in 1982 een
beperking van de machtstermijnen in de grondwet gezet, maar Xi
veranderde dat in 2018 en werd ‘Voorzitter van Alles’, met de
goedkeuring van 99,8% van het Nationaal Congres (p. 32-34).
De auteur beschrijft ook de jeugd van ‘prins Xi’: 6 jaar
(1969-1975) mocht hij doorbrengen in een grot en tussen de
vlooien op het troosteloze platteland van Liangjiahe, nu een
bedevaartsoord.
In 1975 werd hij toegelaten aan de universiteit, hoewel hij zijn
middelbare school niet had beëindigd. Het universitair onderwijs
was meer marxistisch dan academisch. In 1979 studeerde hij af.
Zijn eerste huwelijk mislukte. In 1987 trouwde hij met Peng
Liyuan, de beroemde zangeres van het Volksbevrijdingsleger. In
1992 kregen ze hun enige dochter, Mingze. Al in 1989 waarschuwde
Xi voor de ‘chaos die een democratie veroorzaakt’ (p. 58). Rond
2000 haalde Xi nog een diploma in de rechten, met een
proefschrift dat door iemand anders geschreven was (p. 63). In
2007 werd hij partijbaas van Shanghai. De voorbereiding op de
Olympische Spelen van 2008 werd verstoord door bloedige rellen
in Tibet (maart 2008), een aardbeving in Sichuan met meer dan
80.000 doden, onder wie veel schoolkinderen door slordig
gebouwde scholen én door protesten in West-Europa en
Noord-Amerika tegen het beleid in Tibet. Maar de Spelen
verliepen vlekkeloos en China was de grote winnaar!
Vanaf november 2012 nam Xi de macht en liet hij miljoenen
corrupte functionarissen straffen. Hij roeide de armoede op het
platteland grotendeels uit: de promotie van kaderleden werd
gekoppeld aan hun resultaten in armoedebestrijding. Hij streed
ook tegen privéonderwijs voor rijke kinderen, een tak waarin 100
miljard dollar omging. Onderwijsbedrijven waren zelfs
beursgenoteerd. De privélessen worden nu ondergronds gegeven (p.
109). Het nul-coronabeleid werd pas losgelaten in 2023, na veel
protest.
Mensenrechten-advocaten kunnen ’s nachts opgepakt worden en
langdurig of definitief verdwijnen. De overheid bepaalt hoe de
rechters moeten oordelen en straffen. Sociale controle,
voorspellende surveillance en technieken om gegevens uit
computers en smartphones te halen zorgen dat de partij bijna
alles weet over iedere Chinees (p. 122). Dat geldt nog meer voor
Tibetanen en Oeigoeren. Xi gedraagt zich als een autoritaire
opper-wetgever, die zelfs een voorzitter van Interpol kan doen
verdwijnen (p. 131-139).
Toen Mao stierf, was de bevolking straatarm en de economie een
ramp. Deng en Jiang Zemin maakten er een socialistische
markteconomie van, waardoor de export verdrievoudigde tussen
1992 en 2001, maar de ongelijkheid werd groter dan in de VS (p.
163).
In de partij was er wel onenigheid over de economische koers:
premier Li Keqiang wou de privé-industrie stimuleren, Xi de
overheidsbedrijven. Xi won, Li verdween geruisloos. Debatten
over Xi’s economische politiek werden taboe (p. 164-166). Jack
Ma werd in oktober-november 2020 ingetoomd en vernederd door Xi:
de beursgang van de Ant Group mocht niet doorgaan, omdat Jack Ma
kritiek had geuit op de overheidsbanken. Ook andere
techbedrijven en de gamesector werden lamgelegd. Xi ergerde zich
ook aan Ma’s ontmoetingen met Hollande, Obama, Trump: dat was
het domein van Xi. Bedrijven die wantoestanden in Xinjiang
durfden aan te klagen zoals H&M, Nike en Adidas, werden zwaar
geboycot (p. 185).
Xi en de CCP herschrijven de geschiedenis geregeld, wat Mao ook
al deed. Kritiek op Mao en op de CCP heet dan ‘historisch
nihilisme’ en wordt zwaar bestraft. De persoonscultus van de
alomtegenwoordige Xi kent geen grenzen. De censuur neemt toe en
treft niet enkel Chinese wetenschappers en schrijvers, maar ook
Britse en Franse uitgeverijen. De harde vervolging van de
Oeigoeren begon na drie aanslagen in 2014. Een groot aantal werd
gearresteerd en veroordeeld tot dwangarbeid. Duizenden moskeeën
werden vernield, Han-Chinezen logeren bij moslimgezinnen en
houden ze dag en nacht in ’t oog (p. 215-233).
Ook het beleid tegenover Binnen-Mongolië, Tibet, Hongkong en
Taiwan wordt harder. Sinds 2021 mogen enkel nog China-gezinde
patriotten Hongkong besturen. Xi wil Taiwan inlijven en zet
andere landen aan om met Taiwan te breken. Taiwanese politici
zoals ex-president Tsai Ing-wen en huidig president Lai Ching-te
zien hun eiland al sinds 2016 als een de facto onafhankelijke
staat. In 2019 verklaarde Xi dat de gewapende eenmaking een
optie blijft. Voorlopig voert Beijing een ‘grijze-zone-oorlog’
van permanente intimidatie om de inwoners te demoraliseren en
het Taiwanese leger uit te putten. China geeft 13 keer zoveel
uit aan het leger en bezit 10 keer meer soldaten (p. 234-257).
Ook bij de Chinese diplomaten is de assertiviteit en vechtlust
toegenomen sinds Xi. Chun geeft concrete voorbeelden van bot en
agressief gedrag van Chinese diplomaten, o.a. toen China in 2020
terecht beschuldigd werd van de verspreiding van corona. Of toen
China in 2016 in Den Haag veroordeeld werd voor zijn aanspraken
op de Zuid-Chinese Zee. Zuid-Korea, Australië, Canada, Litouwen
en Singapore ondervonden hoe agressief China kan zijn (p.
260-290).
Deng adviseerde om zich bescheiden op te stellen, maar Zhou
Enlai had al in 1949 gezegd dat diplomatie niets anders is dan
vechten met woorden en 12 van de 17 eerste ambassadeurs kwamen
uit het leger (p. 260-265). Xi zorgde dat China meer ambassades
en consulaten telt dan de VS.
Pas in het laatste hoofdstuk legt Chun uit wat hij bedoelt met
de titel ‘Eenmanspartij’: enkel Xi bepaalt wie hem opvolgt en
wanneer; hij schrapte de twee termijnen die Deng opgelegd had.
In 2016 riepen naamloze partijleden Xi al op om af te treden
wegens te veel persoonlijke macht, zijn persoonlijkheidscultus
en ‘het veroorzaken van ongekende crises voor China’. Er wordt
niet verteld welke crises dit dan waren. De partij reageerde
fel. Eén criticus, Ren Zhiqiang, kreeg 18 jaar cel.
De auteur eindigt als volgt: “Kan de partij van Xi de boel bij
elkaar houden zonder hun alomtegenwoordige leider? De tijd zal
het leren” (p. 324).
In het Nawoord voegt Chun eraan toe dat sinds Xi veel meer
buitenlandse journalisten het land zijn uitgezet en dat Xi de
volledige controle heeft over de media: wie over Xinjiang
schrijft, wordt het land uit gezet en Chinezen die interviews
toestaan, lopen grote risico’s. Academische en culturele
uitwisselingen worden bemoeilijkt (p. 325-328).
Beoordeling
Chun schrijft kritisch, verhelderend en verontrustend, met veel
kennis van zaken en met veel informatie van Chinese insiders.
Hij kent genoeg activisten die iets durfden publiceren en
vervolgens jarenlang de cel in vlogen. Hij onderschat Xi: die
kan nog wel een aantal jaren aan de macht blijven.
De acht hoofdstukken staan niet in chronologische volgorde en
kunnen ook apart gelezen worden in een andere volgorde. Soms is
het omslachtige literatuur, minder concreet dan wij gewoon zijn.
Wie China dagelijks volgt, herkent vele situaties en vindt niet
zoveel nieuws in dit boek.
Er staan ca. 42 Chinese begrippen in die één keer uitgelegd
worden, maar niet in een alfabetische woordenlijst opgenomen
zijn. Op p. 229 staat dat China Xinjiang (“Nieuwe Grens”)
veroverde in de 18de eeuw, op p. 230 was het in de 19de eeuw.
Het was rond 1755-1759.
Tenslotte nog enkele details: ‘Latin’ (p. 261) moet ‘Latino’s
zijn; land die (p. 294) moet zijn: land dat; idem voor Rode
Boekje ‘die’ (p. 304). Deng legde de termijn van 10 jaar op,
niet Hu Jintao (p. 306).
© Jef Abbeel, augustus 2025
www.jefabbeel.be




