Histoforum

    Thor Heyerdahl

laatste wijziging: 11-08-2012

 

Thor Heyderdahl (1914-2002). De Kon-Tiki man 

“Ik wil de mensen leren het vanzelfsprekende in vraag te stellen.” (Th. Heyderdahl)  

Isolationisme versus diffusionisme

Van bij het ontstaan van de amerikanistiek, ca. 1850, overheersen twee elkaar bestrijdende strekkingen het wetenschappelijk debat: isolationisme versus diffusionisme. De eerste richting gaat ervan uit dat de culturen van de Oude en de Nieuwe Wereld volledig zelfstandig en zonder wederzijdse beïnvloeding tot stand zijn gekomen. De tweede neemt aan dat beschavingen elkaar hebben kunnen beïnvloeden en dat misschien wel sinds de Oudheid.

Vader van de moderne experimentele archeologie

Op weg naar het paradijs (De Kon-Tiki expeditie) - geldt voor de 5 dvd’s: Engels, Nederlands ondertiteld, speelduur 52 minuten - Just Entertainment 2007, origineel: 1989.

Het magische eiland (Rapa Nui, Paaseiland)

De wind in het riet (De Ra expedities)

De wieg van de beschaving (Tigris)

Voor het begin (Malediven en Tucumé)

Toevallig liep ik onlangs bij De Slegte tegen een box aan met deze vijf dvd’s plus boek De Kon-Tiki expeditie, voor een spotprijsje. Een buitenkans, nu ik mijn oude video’s niet meer kan draaien en zelfs niet digitaliseren. De dvd’s zijn eens te meer eten en drinken. Maar met één nadeel: ze zijn versneden op National Geographic lengte, 52 minuten, wat in de meeste gevallen minder dan de helft is van het origineel en enorm veel interessante gegevens weglaat. Wie alleen de dvd’s kent en denkt het hele verhaal te zien, is er dus aan voor de moeite. Als aanvulling bij de statische foto’s in de boeken lonen ze natuurlijk wel de moeite. Bovenstaande restrictie is er echter verantwoordelijk voor dat mijn bijdrage de grenzen van de dvd’s overschrijdt. De documentaires zijn gedraaid in 1989. In gezelschap van de interviewer (wiens naam nergens vermeld wordt) bezoekt Heyerdahl de locaties van zijn vroegere expedities, waarbij we telkens tussen zijn reflectie in de film krijgen van de betreffende exploratie.

Op 18 april 2002 overleed de Noorse ontdekkingsreiziger en archeoloog Thor Heyderhahl, 87 jaar oud. Anders dan je zou verwachten, stierf hij in zijn bed, aan kanker. Tot enkele maanden voor zijn dood bleef hij actief.

Thor Heyerdahl werd in 1914 geboren in Noorwegen. Hij wordt beschouwd als de uitvinder van de moderne experimentele archeologie. Kort voor de Tweede Wereldoorlog reisde de jonge Noor met zijn kersverse echtgenote als zoöloog naar het Polynesische eiland Fatu-Hiva. Hier werd hij voor het eerst gefascineerd door de mogelijkheid van prehistorische zeereizen.

Na de Tweede Wereldoorlog, in 1947, zeilde hij met het balsavlot Kon-Tiki (= de oude zonnegod van Peru) 8000 km over de oceaan van Ecuador naar de Polynesische Tuamotu-archipel (ten zuiden van Tahiti). Op basis van enkele gegevens - de heersende windrichting, het voorkomen van een paar nutsplanten en linguïstische overeenkomsten- was hij ervan overtuigd dat de Polynesische eilanden oorspronkelijk vanuit Amerika gekoloniseerd waren en niet vanuit Azië, zoals algemeen werd aangenomen. Met zijn tocht bewees hij het ongelijk van de kamergeleerden, die betoogden dat een balsavlot niet geschikt was voor zeereizen, daar het zich binnen de kortste keren zou volzuigen met water en zinken. Hetzelfde zou later over papyrus- en berdi-riet gezegd worden.

Het boek dat hij over zijn tocht schreef en de (zwart-wit)film die erover gedraaid werd, bezorgden hem wereldwijde faam. Voor de Kon-Tiki-expeditie en zijn latere tochten werd in Noorwegen een museum ingericht, dat jaarlijks honderdduizenden bezoekers trekt. Als je meer dan zestig jaar na datum de exploten van Heyerdahl en de zijnen herleest, valt het op hoe het waagstuk achteraf al decennia als vanzelfsprekend wordt afgedaan, omdat het gelukt is. Terwijl toentertijd haast niemand in dat wellukken geloofde.

Een ander detail: hoe de wereld in die zestig jaar veranderd is. Heyerdahl vond in 1947 reeds dat de tijden veranderd waren, in Peru en Ecuador. Peru telde toen 7 miljoen inwoners (p. 77), in 1966 11,6 miljoen; in 2001 26,1 miljoen; in juli 2009 reeds 29,5 miljoen - verviervoudigd dus. De schattingen over de bevolking van het Incarijk vóór 1532 lopen uiteen van 10 miljoen voor de laagste tot 20 miljoen voor de hoogste. Alle onderzoekers zijn het erover eens dat pas na 1950 de verschrikkelijke demografische verliezen van de eeuw na de conquista door de Spanjaarden zijn ingelopen.

Als 17-jarige signaleerde mijn beste vriend mij het boek. Het maakte op mij een onuitwisbare indruk. Voor het eerst ging ik geschiedenis met andere ogen bekijken. En ongetwijfeld heeft Heyerdahl mijn studiekeuze mee bepaald, zoals hij dat met vele anderen heeft gedaan. Ik kocht elk boek van hem dat ik in het Nederlands of Engels te pakken kon krijgen en blikte de uitzendingen over zijn expedities op video in.

Na de Kon-Tiki expeditie richtte hij in 1955-1956 een expeditie in naar het mysterieuze Paaseiland. Hierbij ging hij multidisciplinair tewerk: archeologen, etno-botanici en zoölogen vergezelden hem, nu standaardprocedure, toen een innovatie. Hij toonde aan dat de beroemde 'reuzenhoofden' van Paaseiland in feite beelden waren tot onder de navel... door ze uit te graven. Dat was vreemd genoeg nooit eerder gebeurd. Op de borst van een der beelden ontdekte hij zo een grote rieten boot met drie masten. Oude eilandbewoners bouwden voor hem een kleine rieten boot, en demonstreerden haar zeewaardigheid. Dit zou zijn onderzoek definitief een nieuwe richting geven. Ondertussen waren zijn opvattingen meer genuanceerd geworden, hoewel hij een overtuigd diffusionist bleef. Zijn Ra- en Tigris-expedities (in 1969-'70 en 1977) bewezen niet meer de zekerheid maar wel de mogelijkheid van prehistorische overzeese contacten tussen de toenmalige hoogculturen-in-opkomst van Mesopotamië, Indus en Egypte. In de jaren '80 keerde hij terug naar Paaseiland, ditmaal voornamelijk om experimenteel te onderzoeken hoe de reuzenbeelden getransporteerd en opgericht zouden kunnen zijn, zonder hoogtechnologische hulpmiddelen. Het boek dat hij hierover schreef is nooit in het Nederlands vertaald, evenmin als zijn oudere, monumentale The Art of Easter Island. (Dit laatste werk was tot aan de grote Paaseilandtentoonstelling in het Jubelpark te Brussel (1990) het meest volledige over Paaseiland.)

In 1984 schreef ik bij een eerste versie van de tekst over de scheepvaart bij de Inca’s: "De Tigris-expeditie is waarschijnlijk de laatste grote onderneming van de ouder wordende ontdekkingreiziger." Ik had het bij het verkeerde eind: in 1982 tot 1984 deed hij opgravingen in de Malediven, in 1992 groef hij in Tucumé (Peru) een pre-Incapiramide uit. Nieuw was hier, dat hij de plaatselijke bevolking niet alleen wist te overhalen om mee te graven, maar dat hij het hele project annex museum onder hun hoede stelde. Zo veranderde hij hen van grafrovers in conservators door hen te overtuigen van de winstmogelijkheden op lange termijn, voor hen en hun kinderen. Helaas komt dit op de laatste dvd Voor het begin (eveneens ingeblikt in 1989) slechts enkele minuten in beeld, omdat de opgravingen toen pas gestart waren (onder de leiding notabene van Walter Alva, de man die in 1987 het graf met de fabelachtige goudschat van de Moche-vorst in Sipan ontdekte) (1).

Heyerdahl bleef ook hierna nog steeds actief: in 1997, op zijn 83ste startte hij een opgravingscampagne aan een pas ontdekte trappenpiramide op Tenerife (Canarische Eilanden). Toen de Spanjaarden deze eilandengroep ontdekten in 1402, troffen zij hier een ras aan van blanke mensen, die nog in het stenen tijdperk leefden en geen schepen kenden, ondanks de talrijke voor scheepsbouw geschikte bomen. In een tientallen jaren durende bloedige en beschamende strijd, roeiden zij de bevolking praktisch volledig uit en verkochten de overlevenden als slaven aan de Portugezen, voor arbeid in de suikerrietplantages op het in 1420 ontdekte (volledig onbewoonde) Madeira. De mooie vrouwen van de Guanches hielden zij als concubines, wat voor rassenvermenging zorgde.

Heyerdahl verdedigde de hypothese dat de Guanches in prehistorische tijden op rietboten, via de passaatstromen op de eilanden waren terechtgekomen en niet meer terugkonden door de eeuwige tegenwind. Op de eilanden troffen zij geen geschikt riet aan, zodat zij de scheepvaart verleerden. Als dit klopt, toont het andermaal aan dat mensen zeer moeilijk loskomen uit ingewortelde denkpatronen. Dit hoofdstuk is natuurlijk nog niet terug te vinden op de dvd’s.

Heyerdahls invloed op de moderne archeologie valt nauwelijks te becijferen. Zijn experimentele methode is algemeen ingeburgerd en maakt voorgoed deel uit van het instrumentarium van de archeologie. Na Kon-Tiki voeren reconstructies van Ierse boten uit huiden (2), Polynesische dubbelkano's, antieke Griekse galeien (3) en recent opnieuw rietboten over de wereldzeeën (4).

Zijn grote kracht is zijn beeldende schrijfstijl, waardoor hij over de hele wereld telkens weer nieuwe generaties begeesterde lezers wint. Over al zijn tochten schreef hij populaire boeken, die lezen als een avonturenroman voor jong en oud. Men vergeet meestal dat hij tevens iedere keer een wetenschappelijk verslag schreef, dat gepubliceerd werd in de vakbladen. Beroepsarcheologen prijzen zijn creativiteit, originaliteit en grenzeloze nieuwsgierigheid, waarvoor hij telkens bereid was zijn eigen leven in de waagschaal te stellen. Zelf zegt hij hierover: "Ik wil mensen leren het vanzelfsprekende in vraag te stellen. Het is door ons verleden te kennen, dat we kunnen leven in het heden en de toekomst kunnen kennen. We leven immers in een eeuwig onvoltooid verleden."

Rietboten en megalieten

 

Moche rietboot in visvorm. Aardewerk, 100 v.C. - 600 n.C. (Inca Peru 1990:87)

De biezen bootjes van het hooggelegenTiticacameer (3812 m) vormen tegenwoordig een toeristisch uithangbord voor Peru en Bolivië. De Spanjaarden noemden ze foutief balsas, naar analogie met de zeewaardige vlotten van de kustbewoners, waarschijnlijk omdat zij geen Europees equivalent kenden. Natuurlijk worden de boten met hun bijzonder fraaie lijn niet gebouwd uit balsastammen, maar uit totora-riet, eigenlijk een vorm van lisdodden, die genetisch verwant is aan het Egyptische papyrus en het berdi-riet uit het huidige Zuid-Irak, het vroegere Mesopotamië van de Sumeriërs. Wat men verder over Heyerdahls theorieën over de Polynesische migraties ook mag denken, enkele van zijn vaststellingen -die hij door computermodellen liet uitwerken- zijn beslist een nadere beschouwing waard. Hij onderscheidt meer dan 130 parallellen tussen de Oude en de Nieuwe Wereld, die alle één punt van overeenkomst vertonen: zij zijn gebonden aan een gordel waarin twee constanten voorkomen, namelijk de rieten boot en goden met vogelkoppen.

Andere parallellen zijn de trappenpiramide en de meesterlijke steenbewerking, die zich uitdrukt in gigantische, perfect passende stenen. Deze fenomenen vindt men terug, zowel in Mesopotamië, Egypte als in Meso- en Zuid-Amerika en zelfs in Polynesië. (En, zoals Heyerdahls onderzoek sinds 1997 aantoont, op de Canarische eilanden.) Afgezien van de twee laatste gebieden treden zij overal op met een tijdsverschil van maximum 1000 jaar, tussen pakweg 2500 en 1500 voor Christus.

Heyerdahls Tigrisexpeditie in 1977-'78 bewijst dat de contacten tussen het oude Mesopotamië en de Indusbeschaving van Mohenjo-daro en Harappa zeker zijn en tussen Mesopotamië en het oude Egypte zeer goed mogelijk waren. Op het eerste had Leonard Woolley in feite reeds gewezen in de jaren twintig van de vorige eeuw, bij zijn ontdekking van de koningsgraven van Ur, toen hij in zijn opgravingsverslag 'het kornalijn uit Indië' vermeldde. (Nu te bezichtigen, met de andere prachtige schatten uit Ur, in het British Museum -een der zalen die, behalve van archeologiestudenten, niet de aandacht krijgen die ze wegens hun onschatbare waarde verdienen.) Maar het is niet zeker of hij zich volledig bewust was van de consequentie van zijn laconieke vermelding: namelijk het bestaan van intercontinentale handel tussen Azië en Afrika! Sindsdien is dit van lieverlee aanvaard, vooral sinds de wederzijdse beïnvloeding Mesopotamië-Egypte op het ontstaan van het schrift algemeen aangenomen werd. (Tegenwoordig denkt men zelfs dat het schrift in Mesopotamië vroeger tot ontwikkeling kwam dan in Egypte.)

 

Mohenjodaro. Halssnoer, kornalijn. (Oude culturen in Pakistan 1989:46)

De sierlijke boten die heden ten dage nog gebruikt worden door de Aymara's en de Uru's op het Titicacameer, zijn waarschijnlijk de laatste erfgenamen van een scheepvaarttraditie die teruggaat tot de dageraad der beschaving. Vijfduizend jaar geleden verbreidden rietboten de cultuur in Mesopotamië, de Indusvallei en het vroegste Egypte, terwijl de Sumeriërs vanuit het bijbelse Ur handel dreven in koper op het legendarische Dilmoen en Meloecha. Tenminste, daarvan was Heyerdahl na zijn Ra I en Ra II experimenten zo overtuigd, dat hij voor het bouwen van zijn Tigris in Zuid-Irak, Aymara-Indianen liet overkomen uit Bolivië, afstammelingen van het volk dat eens dezelfde boten had gebouwd voor de Sapa Inca.

Net als bij de balsavlotten werden het technologisch niveau en de prestatiemogelijkheden van de rietboten door de zelfingenomen westerlingen van de twintigste eeuw schromelijk onderschat. Door zijn tocht met de Tigris over meer dan 8000 km, van Irak naar Pakistan en van Pakistan tot in Somaliland, bewees de Noorse ontdekkingsreiziger dat de rietboot zeer zeewaardig was. Als dat na Ra II nog nodig was! In feite is dit geen boot in onze betekenis van het woord, maar een onzinkbare vlotboot. Ze wordt op een even ingenieuze als ecologisch verantwoorde wijze gebouwd uit organisch materiaal.

Wijzen wij tenslotte op een merkwaardig fenomeen. De culturen van de Nieuwe Wereld kenden het wiel en het ijzer niet. De meeste gebruikten evenmin iets zo vanzelfsprekend als het zeil! De grote, zeevarende kano's van de Maya en die waarmee de indianen van de Noordwestkust van Amerika op walvisjacht voeren, werden geroeid, niet gezeild! Voor zover wij weten zijn de volkeren uit het latere Incarijk de enigen die duizenden jaren lang zeilen gebruikten, zowel voor de 'binnenvaart' op het Titicacameer, als voor de vaart op zee.

Vlotten en guara’s

Als bergvolk waren de Inca’s vanzelfsprekend niet erg goed thuis op de zee. Ongetwijfeld hadden zij reeds vóór de stichting van Cuzco ervaring met de rieten boten van het Titicacameer. Maar zoals steeds wisten zij de vaardigheden van de onderworpen volkeren handig ten eigen bate aan te wenden, iets waarin ook de Romeinen uitblonken.

Toen zij in de loop van de 15de eeuw de kust bereikten, vonden zij daar bedreven zeevaarders. Die konden bogen op een scheepvaarttraditie van minstens 2000 en vermoedelijk zelfs meer dan 4000 jaar, getuige de vondsten in de Moche- en Paracasgraven. Dat verklaart de grote tocht van Inca Topa Yupanqui (1471-1493). De Spaanse kroniekschrijver Sarmiento Gamboa verhaalt hoe deze Sapa Inca (= “Enige Inca”, de vorst) een vloot van vlotten liet uitrusten, die in Tumbez zee koos, met een leger van 20.000 krijgers. In de loop van de expeditie, die bijna een jaar duurde, bereikte de armada klaarblijkelijk een Polynesisch eiland. Want in de citadel van Cuzco werden meegebrachte voorwerpen bewaard, die daar later door de Spanjaarden zijn gezien.

De eerste onderdanen van de Incaheerser, die de Spanjaarden ontmoetten, waren trouwens zeelui uit Tumbez. Zij bemanden grote vlotten, waarvan de conquistador Bernabé Cobo zegt dat ze een grotere tonnenmaat hadden dan de Spaanse schepen waarop hijzelf voer.

‘De grote vlotten waarop de Peruviaanse indianen in zee steken, die in de nabijheid van de bossen leven -zoals die van de havenplaatsen Payta, Nanta en Guayquil- zijn samengesteld uit zeven, negen of meer stammen van het uitermate lichte balsahout, en wel op de volgende wijze: de balken worden naargelang hun lengte met lianen of touwen aan elkaar vastgesnoerd, die op hun beurt weer over andere balken lopen, die er als dwarsbalken overheen liggen. De stam in het midden is aan de boeg langer dan de andere. Die worden steeds korter, naarmate ze verder naar de zijkanten liggen, zodat ze bij de boeg de vorm en de proporties van de vingers van een uitgestrekte hand vertonen. De achtersteven is echter recht afgesneden. Bovenop het geheel bevestigen zij een platform, zodat de mensen en hun kleding aan boord niet nat worden van het water dat door de spleten tussen de lange balken omhoog gestuwd wordt. Ze manoeuvreren deze vlotten op de oceaan met behulp van zeilen en paddels. En sommige ervan zijn zo groot dat ze gemakkelijk vijftig man kunnen dragen.’

Deze vlotten hadden geen roer, maar werden bestuurd op een wijze die volledig afweek van de Europese methode, door middel van guara's of steekzwaarden (de paddels waarvan Cobo sprak). Voor Heyerdahl was deze guara-methode ten tijde van de Kon-Tiki-expeditie zo ongewoon, dat hij een klassieke stuurriem gebruikte, die hen tijdens de tocht onnoemelijk veel problemen opleverde, hoewel hij zonder het te beseffen eveneens guara’s aanwendde.

‘Op willekeurige plaatsen waar grote spleten tussen de stammen onderling waren, staken wij vijf solide vurenhouten planken, die recht omlaag in het water stonden. Wij hadden ze zonder enig systeem geplaatst en ze staken anderhalve meter diep in het water. Ze waren een halve duim dik en een paar voet breed. Ze moesten dienstdoen als heel kleine parallel lopende kielen of zwaarden. Zulke zwaarden werden toegepast bij alle balsavlotten van de Inca’s vóór de tijd van de ontdekkingsreizen en ze moesten verhinderen dat de platte houten vlotten dwars op de wind zouden afdrijven.’ (Kon-Tiki: 84)

Pas door de ervaring tijdens de tocht en door systematisch experimenteren enige jaren later, leerde hij opnieuw de geheimen van de oude zeevaarders kennen. (Die waren namelijk volledig verloren gegaan, daar de autoriteiten van Peru en Ecuador in het begin van de vorige eeuw alle ‘gevaarlijke ouderwetse’ zeevaart verboden die niet door middel van 'moderne' schepen werd uitgevoerd.)

‘Wij ontdekten het geheim op de volgende manier: de wind was gelijkmatig en de zee weer tot bedaren gekomen, zodat de Kon- Tiki een paar dagen lang goed koers had kunnen houden, zonder dat wij de stuurriem hoefden te gebruiken. Toen staken wij het teruggevonden zwaard in een gaping tussen de stammen aan de achtersteven en ogenblikkelijk veranderde de Kon-Tiki een aanzienlijk aantal graden van koers en ging van het westen naar het noordwesten. Rustig en regelmatig zeilden wij in deze nieuwe koers verder. Trokken wij dit zwaard omhoog, dan draaide het vlot terug in zijn vroegere koers. Maar trokken wij het slechts halverwege omhoog, dan draaide het vlot ook slechts halverwege terug in zijn oude koers. Door heel eenvoudig het zwaard op te trekken en te laten zakken, konden wij, zonder aan de stuurriem te komen, een nieuwe en stabiele koers bepalen. Dit was het geniale geheim van de Inca's. Ze construeerden een eenvoudig balanssysteem met de mast en het zeil als het vaste punt, dat bepaald werd door de winddruk. De twee hefarmen waren respectievelijk het gedeelte voor en achter de mast. Sloeg het gewicht van het zwaardoppervlak in de achtersteven door, dan draaide de achtersteven om met de wind. De zwaarden die het dichtst bij de mast zitten hebben het minste effect op grond van de verhouding tussen de hefboom en de kracht. Kwam de wind precies pal achter, dan functioneerden de zwaarden niet meer, maar dan was het moeilijk om het vlot in de goede koers te houden, zonder voortdurend te moeten bijsturen en bovendien verhinderde de lengte van het vlot de vrije manoeuvre. En aangezien de deur van de hut en onze eetplaats aan stuurboordzijde waren, namen wij de wind altijd van achteren, dwars over bakboordzijde.

Wij hadden op onze verdere tocht wel de roerganger een zwaard op en neer kunnen laten trekken in plaats van hem aan het touwsysteem van de stuurriem te laten sjorren, maar nu waren wij zo gewend geraakt aan de stuurriem, dat wij de zwaarden gebruikten om de grove koers te bepalen, terwijl wij er de voorkeur aan gaven met de stuurriem te sturen.’ (p. 148-149)

De Kon-Tiki. Ontwerptekening

Toen hij jaren later het systeem beter beheerste, beschreef Heyerdahl de guaratechniek als volgt: 'Guara's of steekzwaarden zijn rechthoekige planken van ongeveer 1,80 m lang en 60 cm breed. De handgreep of knop, die bovenaan de steel is bevestigd, dient uitsluitend voor verticaal op en neer bewegen van de plank en dus niet om een bewegingsimpuls teweeg te brengen. We ontdekten dat bij snel wenden van het zeil, en tegelijkertijd omkeren van de verhouding tussen de ondergedompelde guaravlakken voor en achter de dubbele mast, het vlot bereidwillig overstag gaat en een nieuwe koers vaart. Hiervoor was een juiste volgorde noodzakelijk bij het samenspel tussen het wenden van de ra enerzijds en het neerlaten en omhoogtrekken van de guara's anderzijds. Hiertoe diende de ra bevestigd te zijn op de plaats waar de beide benen van de mast tezamen kwamen. Dan behoefden wij nog slechts de guara's met de stand van het zeil in overeenstemming te brengen. Als het vlot eenmaal op de nieuwe koers gebracht was, werd de te volgen richting bepaald door de verhouding tussen de neergelaten guara's voor en achter de mast. Wat de praktische functies betreft, kan men de guara's niet vergelijken met eender welk onderdeel van de scheepsuitrusting, zoals die op Europese vaartuigen voorkomt.'

In plaats van primitief te zijn, gaf de guaratechniek dus blijk van een zeer gesofisticeerd origineel Amerikaans concept en uitvoering. In Moche-graven uit het begin van onze tijdrekening werden prachtig versierde en in ajourwerk uitgesneden guara's aangetroffen. Haast elk Europees museum bezit er wel enkele, ook de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in het Brusselse Jubelpark. Maar waartoe ze precies dienden, bleef een raadsel, tot Heyerdahl zijn experimenten uitvoerde en beschreef. De graf-guara's werden meestal nooit in de praktijk gebruikt, maar het feit dat men ze meegaf voor de reis naar het hiernamaals, bewijst wel het belang dat men eraan hechtte. Hoe traag de wetenschappelijke wereld vastgeroeste opvattingen loslaat, werd nog maar eens bewezen op de grote Incatentoonstelling in het Jubelpark in 1990. Hierop waren een aantal guara's te zien, waarvan sommige duidelijk tekenen van gebruik vertoonden. In de catalogus werden zij omschreven als 'ceremonièle roeispanen', zonder enige uitleg over hun functie! En dat terwijl het systeem reeds correct en in detail beschreven werd in een historische roman uit 1954 over de Amazone-expeditie van Orellana in 1541 (5).

Ceremoniële guara (Inca-Perú 1990:235)

Heyerdahls Kon-Tiki-expeditie bewees niet alleen dat balsavlotten, tegen de gangbare mening van de kamergeleerden in, inderdaad perfect zeewaardig waren en de hevigste stormen beter konden doorstaan dan een Europees vaartuig, maar tevens dat de oude kustbewoners van het Incarijk even perfect in staat waren om voedsel en drank voor langdurige zeereizen te conserveren in kalebassen of afgedichte bamboepijpen. Door zijn diverse experimenten kon hij tevens aantonen dat planten als kokosnoten of Amerikaans katoen alleen door de mens in boten of vlotten over zulke enorme afstanden konden getransporteerd worden, en niet door toevallig de golven te overleven. Zijn tocht van 8000 km, slechts 45 cm boven zeeniveau, leerde hem nog een ander essentieel gegeven: de impact van de permanente grote zeestromingen, die het vlot als op een transportband vooruitstuwden, veel sterker dan de wind in het zeil. De moderne scheepvaart hoeft hier veel minder rekening mee te houden; Heyerdahl zou dat voor zijn volgende expedities beslist wel doen.

De Ra-expedities

De grote, houten rivierboten en zeeschepen uit het Egyptische Oude Rijk waren wel fraai, maar ze leken niet zeewaardig, gammel en onstabiel. Kortom: weinig op hun taak berekend. Dat past eigenlijk niet goed bij alles wat we over de Oude Egyptenaren weten. Die tegenstrijdigheid hield sommige geleerden bezig. Heyerdahl bestudeerde wandreliëfs en modellen in de musea. Hij was ervan overtuigd dat de oplossing van het probleem voor de hand lag: de Egyptenaren bouwden in hout een ontwerp na, dat oorspronkelijk voor papyrusboten bestemd was. De meeste geleerden vonden het een bespottelijk idee: papyrus zou niet bestand zijn tegen zout water; de stengels zouden binnen de twee weken zoveel water opslorpen dat het schip zou zinken enz. Heyerdahl liet zich niet ontmoedigen. Hij besloot een rietboot te bouwen en ermee van Afrika naar Amerika te varen. Zijn plan hield heel wat risico’s in. Tekeningen en reliëfs waren er genoeg, maar geen echte boot om de fijne, praktische kneepjes af te kijken die moesten beletten dat hij binnen de kortste keren met zijn bemanning letterlijk naar de haaien zou gaan. Al ten tijde van Cheops bouwde men houten schepen. Papyrusboten van meer dan 4500 jaar oud werden uiteraard nooit gevonden. Sterker nog: papyrus werd in de oudheid zo intensief gebruikt, dat de plant totaal uit Egypte is verdwenen. Rietboten bestaan nog op een paar plaatsen in de wereld: in Afrika op het Tsjaadmeer en zoals gezegd in Zuid-Amerika op het Titicacameer, hoog in de Andes. Heyerdahl vroeg eerst advies aan de beroemde scheepshistoricus Björn Landström, die een plan tekende. In 1969 begon hij in de schaduw van de piramiden aan de bouw, met de hulp van Boedoema-negers uit Tsjaad en met papyrus uit Ethiopië. Hij doopte het schip Ra, naar de Egyptische zonnegod. Eens op zee moest de internationale bemanning door scha en schand alle eigenaardigheden leren kennen van een scheepstype, dat al meer dan 4000 jaar van de wereldzeeën was verdwenen. De Ra gedroeg zich totaal anders dan een houten of metalen schip. Als een zeeslang golfde zij rustig door de hevigste stormen. Overkomende golven sijpelden terug weg tussen de rietbundels. De tweebenige mast was inderdaad de enige logische oplossing voor een rietboot, omdat de verschillende delen van het schip op een eigen ritme bewogen. Een ‘moderne’ mast zou de rietstengels van de bodem in een minimum van tijd totaal hebben vernield. Het antieke roer functioneerde perfect. Met twee stuurstaven boven aan de grote roeispanen, draaide je het roerblad van verticaal naar horizontaal en het schip draaide gehoorzaam mee.
 
Maar de Boedoema’s hadden het oud-Egyptische voorbeeld niet volledig nagevolgd, omdat zij zelf een afwijkend model gebruiken op hun kalme meer. Na verloop van tijd ging de achtersteven doorzakken. En op de duur lag de Ra meer onder dan boven water. Toch bleef het drijfvermogen van het papyrusriet verbluffend. Een modern schip zou al lang zijn gezonken. Vlakbij het doel, na 5000 kilometer, moest de bemanning uit veiligheidsoverwegingen toch het schip verlaten.

Het volgende jaar was Heyerdahl er terug met een nieuw rietschip, de Ra II, ditmaal gebouwd door Aymara-Indianen van het Titicacameer. Die gebruiken een andere techniek dan de Boedoema’s. Twee 'worsten' uit totora worden met een rieten mat bedekt en met een dun, uit plantaardige vezels vervaardigd touw in spiraalvorm omwonden. Elke spiraal verbindt eveneens een derde, kleinere bundel, tussen de twee andere in. Dan wordt het touw zeer strak aangespannen. De kleine bundel verdwijnt tussen de twee andere in. Hoewel onzichtbaar, vervult hij een belangrijke functie: een negatieve kiel, die de boot bij aan de wind zeilen (= schuin tegen de wind in) tegen afdrijven beschermt. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw waren zelfs de zeilen van de Titicacaboten uit totora-riet vervaardigd. Tegenwoordig is dat meestal vervangen door gewoon zeildoek. Hoewel, om de toeristen te plezieren verschijnen de laatste jaren opnieuw totora-zeilen op het meer. Tot voor kort lag hier ook een kopie van de Tigris aangemeerd.

Maar ook de Aymara’s, noch hun voorouders, hebben de laatste vijfhonderd of duizend jaar grote rieten zeeschepen gebouwd. Daarom maakten zij de Ra II een heel stuk kleiner dan Heyerdahl gewild had, wat zijn gevolgen zou hebben naarmate de tocht vorderde. Doch ditmaal bereikte hij wel Amerika.

 

 De Tigris en de Indusbeschaving

Met zijn twee Ra-expedities had Heyerdahl de zeevarende prestaties van de oude zeevaarders naar waarde leren schatten. Nu wilde hij nog de bestuurbaarheid uittesten. En nog iets anders. De oude Egyptenaren waren niet de enige zeevaarders die 4500 jaar geleden rieten boten hadden gebruikt. De gelijktijdige Indusbeschaving en die van het Tweestromenland hadden hetzelfde transportmiddel gebruikt, blijkens afbeeldingen op rolzegels.

In 1977 liet Heyerdahl door de Aymara’s aan de rand van de oeroude moerassen in het zuiden van het huidige Irak een nieuwe, grote zeevarende rieten boot bouwen die hij Tigris doopte, naar de grote Bijbelse rivier. Voor zijn Tigris haalde hij het berdi-riet bij de moeras-Arabieren van Zuid-Irak, vermoedelijk afstammelingen van de oude Sumeriërs. Sinds onheuglijke tijden leefden zij in de ondiepe moerassen, half zo groot als heel België. Zij woonden in gerieflijke rieten huizen, waarvan het model in duizenden jaren niet is veranderd.

Na de Tweede Golfoorlog (1991) kwamen zij op aandringen van de Amerikanen in opstand tegen de Iraakse dictator Saddam Hoessein. Deze begon dan systematisch de moerassen droog te leggen en de bewoners uit te moorden. (‘Saddam’s Killing Fields’) Zo werden zij naar de coulissen van de geschiedenis gebombardeerd. Was dit het beschamende einde van een veerkrachtige levenswijze, die duizenden jaren wist te overleven? Sindsdien is Saddam van de macht verdreven door de Amerikaanse invasie van 2003. De Amerikanen herstelden een gedeelte van de moeraswereld in zijn voormalige staat en een deel van de bewoners is teruggekeerd. Maar zal het leven ooit nog worden, wat het zoveel tientallen eeuwen is geweest?

Uit de krant van 24 februari 2010. Verkiezingsmeeting nabij Najaf, Zuid-Irak. Traditionele rietbouw in ere hersteld, compleet met moderne voorzieningen.

Met de Tigris, weer bemand door een internationale ploeg, zeilde hij de Perzische Golf af, laverend tussen de hedendaagse reuzentankers door, naar het huidige Pakistan, waar ten tijde van het Egyptische Oude Rijk de Indusbeschaving een hoge bloei bereikte in de steden Mohenjodaro en Harappa. Hij wilde van daar naar de Rode Zee varen, tot aan de grenzen van het Egyptische Oude Rijk. Maar moderne gevaren deden de Tigris stranden in Djibouti, op de door oorlog geteisterde kust van de Hoorn van Afrika. Na vijf maanden en meer dan 6.800 kilometer op zee stak Heyerdahl de Tigris in brand, uit protest tegen het bloedvergieten in onze ‘beschaafde’ tijd.

Met zijn tocht bewees hij dat 4500 jaar geleden rieten boten de Induscultuur met het oude Mesopotamië hadden verbonden. (Van die relaties zijn er zoals gezegd bewijzen gevonden in de koningsgraven van het Bijbelse Ur.) Maar ook dat met rieten schepen verbinding over zee mogelijk was (maar daarom nog niet zeker) tussen Mesopotamië en Egypte. Dat zou een belangrijk punt kunnen zijn in een andere oude discussie: waar is het schrift ontstaan? Hebben Sumerië en Egypte elkaar rechtstreeks beïnvloed? Of zijn de hiërogliefen onafhankelijk uitgevonden in Egypte?

Heyerdahl op de Ra met zijn ‘neuzometer’, in feite een polimetrum, reeds beschreven door Waldseemüller in 1513, een eenvoudig instrument om de hoogte van de zon te bepalen, voorloper van astrolabium en sextant. 

In de jaren 20 van de vorige eeuw stootten archeologen in de valleien van de Indus op een volkomen onbekende hoogcultuur. Het stroomgebied van de Indus is groter dan dat van de Nijl, langer dan dat van de Eufraat en de Tigris. Het vormt een ingewikkeld net van evenwijdig lopende rivieren en zijrivieren, waarvan er vele tegenwoordig droog zijn, in een 1500 km lang dal. De centra Mohenjodaro en Harappa kenden een planmatige aanleg met huizen en zwembaden uit baksteen.  

Op zegels en stempels prijkte een eigen schrift, dat tot op heden alle pogingen tot ontcijfering weerstaat. De Indussteden leverden aan de Sumeriërs, via Dilmoen, goud, ivoor en halfedelstenen als kornalijn en het diepblauwe lapis lazuli, dat uit oostelijk Afghanistan afkomstig was. Hoogstwaarschijnlijk is dit het Meloecha uit de Sumerische bronnen. Spijkerschrifttabletten uit Mesopotamië registreren contacten met Meloecha, zeker vanaf ca. 2350 v.C. en waarschijnlijk reeds enkele eeuwen vroeger.

Het aanwenden van baksteen op grote schaal zorgde voor een der eerste milieurampen op grote schaal uit de menselijke geschiedenis. In de zon gedroogde tichels zijn milieuvriendelijk. Bakstenen vereisten massa's houtskool, waarvoor gigantische hoeveelheden hout nodig zijn. Hiervoor werd de streek volkomen ontbost, waardoor de grondwaterstand veranderde, de neerslag verminderde en de erosie vrij spel kreeg. Zo veranderde de hele regio van een vruchtbaar landbouwgebied in een woestijn. Als gevolg hiervan was de hele Induscultuur reeds in verval, voor zij de doodsteek kreeg door de invallen van Arische (=Indo-Europese) nomaden op hun door paarden getrokken strijdwagens.

 Swastika op stempelzegel, Induscultuur ca. 2800 v.C. (Oude Culturen…: 246, nr.81.)

Een cultuurhistorische kanttekening van formaat: Hitler haalde het nazi-symbool de swastika (hakenkruis) uit de cultuur van deze Ariërs ... meende hij. De swastika zou het zonnewiel voorstellen, symbool van de eeuwige kringloop van het leven. Op de Industentoonstelling in Brussel (1989) waren potscherven en stempels te zien, afkomstig uit de Induscultuur. En dit is een veel oudere, voor-Arische, waarschijnlijk Dravidische beschaving! Merkwaardig genoeg werd deze correctie in de catalogus handig verdonkermaand! Meer: de swastika komt zeer algemeen voor, evenzeer in het Oude Egypte als in het hele Midden-Oosten en zelfs de Malediven, zoals Heyerdahl zelf zou ontdekken: allemaal beslist niet-Arische culturen.

Sumer, Mesopotamië en riet

Mesopotamië, het Tweestromenland tussen de Eufraat en de Tigris werd door de archeologen in de vorige eeuw als de wieg der beschaving beschouwd. Uit de bijbel kenden zij Babyloniërs en Assyriërs. In het begin van de vorige eeuw ontdekte men hier restanten van een veel oudere, onbekende beschaving, die men de Sumeriërs noemde. In de jaren 1920 groef de Engelsman Leonard Woolley in Ur koningsgraven op, zo oud als de piramiden in Egypte. Ur was in het derde millennium v.C. een belangrijke havenstad aan wat wij nu de Perzische Golf noemen. Toentertijd stroomden Eufraat en Tigris afzonderlijk in deze golf. Sindsdien is de zeespiegel gedaald: de twee stromen monden nu uit in de Sjatt al Arab, die hun gezamenlijke wateren naar de Golf voert.

Kan hoogstwaarschijnlijk vereenzelvigd worden met het piepkleine emiraat Bahrein, in de Perzische Golf. Het is al duizenden jaren van belang voor zijn talloze zoetwaterbronnen. Hier ontdekte de archeoloog Geoffrey Bibby meer dan 100.000 grafheuvels, die reeds in de Oudheid waren geplunderd en enkele monumenten uit kalksteen, in Sumerische stijl. Zij lagen nabij een prehistorische haven, ongeschikt voor houten schepen, maar wel voor rietboten met hun geringe diepgang en enorm drijfvermogen. Zeer belangrijk was de vondst van enkele stukjes koper en van kubusvormige gewichten, van hetzelfde type als in Mohenjodaro zijn gevonden. Volgens Sumerische tabletten werd koper uit Makan in Dilmoen gekocht en naar Sumer verscheept.

Wat Mesopotamië als ruilgoederen aanvoerde, weten wij niet. Vergeet niet: dit was een economie zonder geld, gebaseerd op ruilhandel.

Kanttekening: Bibby schreef een zeer vlot leesbaar boek over de oude beschavingen en hun onderlinge samenhang, dat ook in het Nederlands is vertaald. Hij verbindt de voortgang van de geschiedenis met menselijke generaties van zeventig jaar, wat een zeer levendige initiatie oplevert. Helaas heeft hij zijn eigen recentere opgravingsresultaten niet meer verwerkt.

Makan

Het Makan uit de Sumerische bronnen is hoogstwaarschijnlijk het huidige sultanaat Oman. Hier ontdekten geologen op prospectietochten de bewijzen van prehistorische koperontginning op gigantische schaal, kort voor Heyerdahl arriveerde met zijn Tigris. Hij bezocht een mijn, waarvan de vroegere ingang bewaard was als rotspoort, terwijl de hele heuvel erachter was afgegraven! Een beeld als van een hedendaagse dagbouwmijn in Katanga of de VS! Op de vlakte ervoor lagen meer dan honderdduizend ton ertsslakken, stille getuigen van oeroude smeltovens. (Ook hiervoor waren reusachtige hoeveelheden houtkool nodig!) Het koper had exact dezelfde samenstelling als de restjes die in de oude haven op Bahrein waren gevonden. 

De bemanning van de Tigris, voor de tweebeensmast

De Malediven, Plinius de Oudere en rietboten 

In 1982 vinden we Heyerdahl terug op de Malediven, gênant onvoorbereid, zegt hij zelf. (De officiële Nederlandse naam is sinds hij zijn boek schreef weer terug gewijzigd van Maldiven in Malediven.)

De Malediven vormen een bijna duizend kilometer lang snoer van laaggelegen koraaleilanden, ten zuidwesten van Sri Lanka, van bijna 10° NB tot iets over de Evenaar. De eilanden liggen slechts een meter of twee boven de zeespiegel, zodat ze als eersten bedreigd zijn bij een stijging van het zeeniveau ten gevolge van de klimaatopwarming. In oktober 2009 hield hun regering in duikerspak een onderwater-regeringsraad om de wereld op dit gevaar attent te maken. Maar dat heeft voor de rest niets met ons verhaal te maken.

Heyerdahl was hierheen gelokt doordat hem een foto was toegezonden van een beeld dat een man voorstelde met uitgerekte oorlellen (zoals in Peru of Paaseiland) en een mysterieuze glimlach en dat alleszins ouder moest zijn dan de komst van de islam in 1153. Toen hij bij het beeld arriveerde, bleef alleen het hoofd over; de rest was stukgeslagen door fanatieke moslims. Op archeologisch gebied waren de Malediven zowat maagdelijk gebied. Na amper één week haast onderzoek konden Heyerdahl en zijn collega’s reeds een eerste oogst voorleggen aan de president van de kersverse republiek. (Pas in 1968 was de laatste totalitaire sultan van de macht verdreven.) De president nam de bewijzen van een lang historisch verleden enthousiast in ontvangst, waarnaar ze naar een afgesloten hoekje van het enige museum op Male, het hoofdeiland, werden verbannen want: niet strokend met de islam.

Dit vormt de inhoud van de laatste dvd Voor het begin (Malediven en een heel klein stukje Tucumé). Weer heb ik het boek bijgehaald, want eens te meer is de film te kort naar mijn smaak. Voordeel is dan weer dat Heyerdahl en zijn interviewer het onderzoek chronologisch verder zetten dan in zijn boek. Binnen de kortste keren groeven zij bewijzen op van boeddhistische bewoners, hindoe voorgangers en -nog ouder- zonnesymbolen en swastika’s die tot een onbekende mensengroep behoorden, die in de oude legenden de Redins genoemd werden en uit het oosten afkomstig waren. De beroemde Arabische wereldreiziger Ibn Battoeta, die in 1343 de Malediven bezocht, beschrijft enkele van deze legenden, die niet zouden misstaan in De 1001 Nacht.

Duizend jaar voor Columbus waren de Malediven reeds gekoloniseerd door pre-Europese zeevaarders. Doorheen de eilandenketen lopen enkele vroeger door de zeilvaart veel gebruikte ‘kanalen’, van het 10° Kanaal in het noorden tot het Equatoriaal Kanaal in het zuiden. Dit deed me teruggrijpen naar mijn bronnen rond de Chinese expedities van Zheng He onder de Ming-keizer Zhu Di (kort na 1400). En effectief: ook de Grote Eunuch had een vloot door minstens een van de ‘kanalen’ gezonden op weg naar de Indische Malabar-kust (6)

Mijn verhaal eindigt in het Kon-Tiki Museum in Oslo, waar Heyerdahl en enkele collega’s pogen een synthese van hun bevindingen samen te puzzelen. Blijkt dat ook de Romeinen de zeewegen doorheen de Malediven al kenden. En hij citeert naar aanleiding van de vondst van Romeinse munten een citaat uit Plinius, waarmee ik wil besluiten. 

'De Romeinen leerden van de Egyptenaren hoe ze naar die eilanden moesten zeilen,' voegde ik eraan toe en ik herhaalde mijn geliefkoosde citaat van Plinius de Oudere. We hadden een exemplaar van Plinius' Historia Naturalis op de boekenplank en ik pakte het om een bepaalde bladzijde voor te lezen. Plinius schreef zijn werk voor zijn dood, bij de uitbarsting van de Vesuvius in het jaar 79 van onze jaartelling. Romeinse schepen bezochten Sri Lanka toen al en de tegenoverliggende kust van India, dat wil zeggen in de tijd dat Romeinse munten als die van de Malediven uit 90 vóór Christus nog in omloop waren. Om Sri Lanka te bereiken moesten de Romeinse schepen langs de Malediven.

Maar waar ik naar zocht, was Plinius' opmerking over zeiltochten naar de Prasii, een handelsvolk van de Ganges aan de andere kant van India. Na een beschrijving van Sri Lanka met al zijn steden en producten, vervolgt Plinius: 'Vroeger geloofde men dat dit eiland op een afstand van twintig dagen zeilen van het land der Prasii lag, aangezien de reis erheen gemaakt moest worden met boten, gemaakt van riet en met een tuigage zoals op de Nijl gebruikt werd (eigen cursivering J.M.), maar later schatte men de afstand op zeven dagen zeilen, gezien de snelheid die door onze schepen gehaald kon worden.' Degenen die beweren dat Egyptische rieten schepen de Nijl nooit verlieten, moeten dit bericht over het hoofd hebben gezien; en zonder dat bericht zou ik er veel minder tuk op geweest zijn om rieten schepen op de oceaan te beproeven. Afgezien van de geschatte afstanden in de tijd van de zeilschepen, hadden de Egyptenaren de Romeinen de geheimen bijgebracht hoe men de Indische Oceaan moest oversteken, rekening houdend met de moesson in de verschillende jaargetijden. Plinius voerde actie om de Romeinen de Indische Oceaan-handel te laten overnemen, in plaats van de voordelen aan de tussenhandelaren in Egypte over te laten: 'En het zal niet slecht zijn de reis in Egypte te beginnen, nu er voor het eerst betrouwbare informatie beschikbaar is. Het is van het grootste belang, gezien het feit dat India jaarlijks niet minder dan vijftig miljoen sestertiën aan de rijkdom van ons keizerrijk onttrekt, omdat zij goederen zenden die bij ons tegen honderd maal de kostprijs verkocht worden.'

Hij instrueert de Romeinse kooplieden ongeveer twaalf dagen de Nijl op te varen, tot Keft, waar kameel-karavanen gereed staan voor een reis van nogmaals twaalf dagen tot Berenise aan de Rode Zee. Op bepaalde afstanden bestonden er plaatsen waar water kon worden ingenomen en er was kennelijk een levendig verkeer via karavaan-posten, waar tweeduizend reizigers gehuisvest konden worden: 'De reis overzee begint op midzomer, voordat de Hondsster opgaat of onmiddellijk daarna en duurt ongeveer dertig dagen tot de Arabische haven Cella... vanaf die haven duurt de reis tot het eerste handelsstation in India veertig dagen als de Hippalus waait. Reizigers verlaten op de terugreis India aan het begin van de Egyptische maand Tybis, wat overeenkomt met onze maand december, of in elk geval voor de zesde dag van de Egyptische Mechir, volgens onze kalender vóór 13 januari, zodat men binnen een jaar terug kan zijn. '

(Het geheim van de Maldiven: 310-311)

Aan Thor Heyerdahl is als elektronisch memoriaal een welverdiende eigen webstek gewijd op de site Great Norwegians

Van hieruit is een groot aantal websites bereikbaar.

Werken van Heyerdahl in het Nederlands

Heyerdahl, Th., De Kon-Tiki expeditie, Hilversum, Just Publishers, 2007. (Origineel: 1947- vertaald in 64 talen.)

Heyerdahl, Th., Aku - Aku. Het mysterie van Paaseiland, Lochem, De Tijdstroom, s.d. (1958?)

Heyerdahl, Th., De Ra Expeditie, Bussum, Teleboek, 1970.

Heyerdahl, Th., Tussen de continenten, Baarn, De Boekerij, 1975.

Heyerdahl, Th., Tigris, Bussum, De Kern, 1979.

Heyerdahl, Th., Het geheim van de Maldiven, Amsterdam, Sijthoff, 1986

Heyerdahl, Th., In de sporen van de mensheid : een bijzondere man kijkt terug op zijn avontuurlijk bestaan, Forum, 2000.

Geraadpleegd

Balick, M. & P. Cox, Etnobotanica. De rol van planten in de menselijke cultuur, Natuur en Techniek, 1998.

Bibby, G., Vierduizend jaar geleden. Het leven van 2000-1000 v.Chr.,Amsterdam, Meulenhoff, 1978 (eerste druk: 1961).

Cuyvers, L., Tienduizend jaar varen. Een wereldgeschiedenis, Leuven, Davidsfonds, 2003, 159 blz..

Cuyvers, L., De ontdekking van het Oosten, Tielt, Lannoo, 2005, 223 blz. + DVD (4delige tv-reeks).

Cuyvers, L., Setting sail (Met volle zeilen), documentaire.

Gold aus dem Alten Peru. Die Königsgräber von Sipán, tentoonstellingspubl., Bonn, 2000.

Inca- Peru. 3000 jaar geschiedenis, tentoonstellingscat., Brussel, Koninkl. Musea voor Kunst en Geschiedenis, 1990.

Landström, B., Ships of the Pharaohs. 4000 Years of Egyptian Shipbuilding. London, Allen & Unwin, 1970.

Landström, B., Het Schip. Hoofddorp, Septuaginta, 1975.

Oude culturen in Pakistan, Brussel, Kon. Musea voor Kunst & Geschiedenis, 1989.

Paaseiland: een raadsel? Tentoonstellingscatalogus. Brussel: Kon. Musea voor Kunst en Gesch., 1990.

Riley, C. e.a., Man Across the Sea, Austin, 1971.

Villiers, A., Het avontuur van de zee, De Haan, National Geographic Society, 1978.

Video: Kon-Tiki: in het licht van de tijd, 47 minuten, National Geographic Channel, 1997,17.03.1999: gemaakt in 1997 ter herdenking van 50 jaar Kon-Tiki.

Noten

1. Zie: Gold aus dem Alten Peru. Die Königsgräber von Sipán, tentoonstellingspubl., Bonn, 2000.

2. Severin, T., De Brendan expeditie: met een open huidboot naar Noord-Amerika, De Boer Maritiem, 1978 (heruitg. 1999).

3. Severin, T., In de ban van het Gulden Vlies, Amsterdam, Sijthoff, 1987.

4. Bedoeld is hier de tocht van de Duitse wetenschapper Dominique Görlitz die in 2007 met zijn Abora III in omgekeerde richting, van Amerika naar Europa wilde zeilen.

5. George Millar, Orellana ontdekt de Amazone. (Prisma 178), Utrecht-Antwerpen, Het Spectrum, 1954.

6. Zie Waldseemüller en de geboorte van America. Een historische odyssea. en hier in pdf de kaart van Zheng He’s reizen in Deel 2/ 204 Waarheid of verdichting?

Jos Martens

     
 

Met onderstaande zoekmachine kunt u zowel zoeken op het www als binnen deze site en Histoforum

Google
Search WWW Search histoforum.digischool.nl