artikelen over geschiedenis didactiek

Een andere kijk op geschiedenis.

Tijdens een geschiedenisconferentie in juli 2010 in het Australische Sydney gaf historicus John Hirst, voormalig reader in History aan de La Trope universiteit in Melbourne, een lezing over een serie colleges die hij had gegeven aan eerste jaars geschiedenisstudenten op de La Trope universiteit in Melbourne.

The Oddity of Europe

  • In haar boek Pre-Industrial Societies: Anatomy of the Pre-Modern World vraagt de van origine Deense historica Patricia Crone zich af waarom het Eurazische continent zo'n dominante positie in in de wereld inneemt. Zij meent dat dit te danken is aan een aantal factoren.

    * Om te beginnen speelt de grote omvang een belangrijke rol
    * In de twede plaats wonen er veel mensen
    * Ten opzichte van andere gebieden heeft Eurazië een aantal ecologische voordelen: veel verschillende planten en dieren, o.a. de belangrijke last- en trekdieren.
    * Ook speelt een een rol dat Eurazië eerder breed dan lang is. Dit heeft als voordeel dat dieren zich gemakkelijker daar verspreiden dan in een langgerekt gebied omdat er maar één klimaatzone is.

  • Binnen Eurazië is Europa weer dominant geworden. Waarom? Zo op het eerste gezicht week Europa namelijk niet af van het pre-industriële patroon in China, India en de islamitische wereld:
    * Ook Europa kende een bestuurlijke elite (die deels militair, deels religieus was)
    * Ook Europa had een kosmopolitische cultuur (het christendom en het restant van de Griekse en Romeinse cultuur)
    *Ook Europa kende veel boeren gemeenschappen zonder economische, politieke en culturele integratie. 

  • Toch was Europa ook anders. Na de middeleeuwen ontstonden er territoriale staten met een eigen volkstaal. Er was sprake van koloniale expansie en er ontstonden kapitalistische economieën en nieuwe manieren van (o.a. wetenschappelijk) denken. Hierin was Europa uniek. De vraag is waarom onderscheidde de ontwikkeling van Europa zich van ontwikkelingen in andere gebieden?

  •  

  •  1. Europa - dat een culturele eenheid werd omdat de Germanen die het Romeinse Rijk binnentrokken deel kregen aan de Romeinschristelijke cultuur - leek een veel minder veelbelovende natuurlijke omgeving dan bijvoorbeeld Voor-Azië of Egypte. Echter, in Europa valt relatief veel regen, waardoor er geen arbeidsintensieve irrigatie nodig is. De ontwikkeling van de zware ploeg maakte het bedrijven van landbouw bovendien tot een relatief lichte bezigheid. Europa kende weinig plaatsen die uitnodigden tot een bestaan van jagers en verzamelaars. Anders dan Oost-Europa had West-Europa had bovendien, na de invallen van de Germanen, weinig last van invallen uit het Oosten. Ook bezat Europa veel natuurlijk hulpbronnen waarin gehandeld kon worden. Deze handel werd bevorderd door een lange kistlijn en goed bevaarbare rivieren. 

    2. Een feodale samenleving met persoonlijke banden tussen leenheer en leenman kwam in de plaats van een stammen samenleving. Daarin was Europa uniek, net als in het uitstellen van de leeftijd waarop niet alleen mannen trouwden (zoals ook elders) maar ook de vrouwen. Ook kende Europa relatief veel ongetrouwden, waardoor het (op een enkele uitzondering na: de grote pestepidemie in het midden van de 14e eeuw) ontsnapte aan de Malthusiaanse cyclus.
    Dit huwelijkspatroon bevorderde ook het individualisme of was er een uitingsvorm van. Zo was er veel meer dan elders sprake van een vrije partnerkeuze (behalve in aristocratische kringen, hoewel er ook daar kritiek op kwam).
     
    3. Het feodale system, waarin boeren zich onder bescherming van machtige boeren plaatsen en waarin vorsten land uitlenen in ruil voor militaire steun, kwam elders ook voor. Uniek was Europa echter in de mate waarin de staat haar controle op het proces verloor. De macht in Europa raakte sterk versnipperd en huur werd betaald in natura.
    Staat en samenleving/maatschappij liepen in elkaar over. Er was geen sprake van een autoriteit tegenover onderdanen die aan die autoriteit probeerden te ontsnappen. Toen vorsten hun verloren gegane macht dan ook probeerden te heroveren, moesten zij er hard voor werken. Zij konden geen belastingen opleggen zonder instemming van bijvoorbeeld de steden en zij moesten over alles onderhandelen omdat hun onderdanen over allerlei rechten beschikten. Het gevolg was dat de nieuwe staten diep wortelden in de locale samenlevingen. Dit betekende ook dat regeren min of meer samenviel met het managen van de staat. Deze zorg om aan geld te komen zorgde er ook voor dat vorsten zich intensief bemoeiden met rechtspraak, waardoor uiteindelijk het opleggen van wetten vergemakkelijkt werd. De versnippering van macht droeg ook sterk bij aan het ontstaan van vertegenwoordigende instituten, zoals vergaderingen van de standen en parlementen.
    De adel steunde aanvankelijk de opkomst van handel en steden (11e/12e eeuw). Zij lieten de kooplieden met rust omdat zij hen nodig hadden, zoals zij ook de steden toestonden om zichzelf te besturen omdat deze een bron van inkomsten vormden.
     
    4. Dat de Europese samenleving samengesteld was uit drie componenten, Germaanse barbaren, christendom en de Grieks-Romeinse cultuur was er mede verantwoordelijk voor dat de macht in Europa zeer gefragmenteerd was. Verdeeld tussen verschillende vorsten, maar ook verdeeld tussen vorsten en kerk. Deze kerk was de feitelijke erfgenaam van het Romeinse Rijk, maar dan zonder leger. Deze kerk had geen behoefte aan een sterke wereldse rivaal, integendeel. De verdeeldheid onder de vorsten versterkte juist de macht van de kerk. De vorsten op hun beurt wilden de baas zijn in hun territorium en zo mogelijk ook over de kerk. Hun rivaliteit stond een Europese eenwording in de weg, Na Karel de Grote was geen feodale macht meer die groot genoeg was om een eenwording tot stand te brengen. Eerder was het tegendeel het geval. Het feodalisme begunstigde het ontstaan van (kleine) staten die sterk geworteld waren in een locale samenleving. Toen vorsten tenslotte wel over voldoende financiële middelen gingen beschikken om grote legers op de been te brengen was het te laat om nog een Europese eenheid tot stand te brengen. Wie nog een groot rijk wilde stichten moest dat overzee doen.
     
    De macht van de kerk op de hele Europese samenleving was alleen levensvatbaar zolang Europa onderontwikkeld was. Zodra Europa zich vanaf de 12e eeuw economisch sterk ging ontwikkelen veranderde dit. De toenemende rijkdom ondermijnde de kerk, niet alleen intern maar ook van buiten. Ook slaagde de kerk er niet in om van het Latijn de standaard taal te maken.
     
    In de 16e eeuw worden staten met een duidelijke eigen territoriale identiteit en met een behoorlijke politieke, religieuze en culturele eenheid zichtbaar.
     
    5. Na de middeleeuwen leidden de drie componenten van de Europese beschaving in drie, in feite fundamentalistische, richtingen. Richtingen die zeer verschillend waren:
    * De Reformatie: terug naar de oorsprong van de christelijke vroomheid.
    * De Renaissance: terug naar de klassieken
    * Romantisch nationalisme: terug naar de wortels van de barbaren 

  • Het klassieke denken was conceptueel en deductief, het christendom zoals zich dat tijdens de Reformatie ontwikkelde was inductief. De interactie tussen deze twee leidde tot de overtuiging dat veronderstellingen die werden opgesteld op basis van deductie aan waarnemingen moesten worden getoetst.
     
    Alle, hiervoor genoemde factoren, vormen samen de verklaring voor de opkomst van het kapitalisme. De technologische ontwikkeling van Europa was mogelijk doordat de elite zich in Europa niet ver genoeg kon distantiëren van de massa. 


  • Zie ook de verklaringen van Niall Ferguson



  •  

  • Referenties


  • Hirst, John, (2009). The shortest history of Europe, Melbourne: Australië, Black Inc.
    Crone, Patricia (1989,2003) Pre-Industrial Societies: Anatomy of the Pre-Modern World. (ISBN 1-85168-311-9), Oneworld Publications