artikelen over geschiedenis didactiek

Anatomie

Artikel van Jos Martens naar aanleiding van het boek Anatomie. De ontdekking van het menselijk lichaam van Hugh Aldersey-Williams. Jos Martens waardeert dit boek met vier van de maximale vijf sterren.

De ontdekking van het menselijk lichaam

De anatomische zoektocht van Aldersey-Williams start met een nachtelijk uitstapje … naar het toilet wegens een volle blaas. Banaler begin is moeilijk denkbaar. Dat is meteen de start van een ware odyssea doorheen tijd en ruimte (tot het Boerhave- (in Leiden) en Groeningemuseum (in Brugge)).
Toen hij begon had hij nauwelijks enige notie van anatomie. Daarmee haalt hij zo ongeveer het niveau van uw recensent. (Hoewel diens kennis vooraleer hij begon te lezen een ietsie pietsie is opgefrist, doordat hij zijn 12-jarige kleindochter heeft begeleid bij de voorbereiding van haar examen biologie.)

Aldersey-Williams weet de aandacht van de lezer meteen te vangen. Iedereen kent wel De anatomische les van Nicolaes Tulp door Rembrandt.

Er klopt er iets niet met de afbeelding van het lijk op de snijtafel. Zoals Rembrandt het afbeeldt, kan het er op die 31ste januari 1632 niet hebben bijgelegen.
De dode was Adriaen Adriaenszoon, achtentwintig jaar oud, dief van beroep. Drie dagen nadat hij opgehangen werd, wordt het lijk van de galg naar de anatomische snijzaal van Amsterdam gebracht, voor een dissectie met (betalend) publiek. Onder de toeschouwers zit ook Rembrandt. (Toevallig of niet, het jeugdboek van Lydia Rood, De jongen die in de muur verdween, dat ongeveer gelijktijdig verscheen met dit boek, behandelt hetzelfde onderwerp, maar begint iets vroeger: bij de ophanging van Adriaen zelf).

Röntgenfoto’s van het doek bewijzen dat hij in een eerste versie van het werk Adriaenszoon werkelijkheidsgetrouw afbeeldt. Ongetwijfeld naar schetsen die hij bij de dissectie in het anatomisch theater zelf had getekend. De rechterhand van de overvaller ontbreekt – handen afhakken is in de zeventiende eeuw de gebruikelijke straf voor diefstal. Later, in zijn atelier, voegt Rembrandt het ontbrekende lidmaat ten behoeve van de compositie toe. Als schildersmodel gebruikt hij geen struikrover, te oordelen aan de fijn gemanicuurde rechterhand waarover Adriaenszoon opeens beschikt.

Maar er is meer aan de hand. Ook Adriaenszoons opengewerkte linkerarm spoort niet met de realiteit. In de zeventiende eeuw hebben mortuaria nog geen koelcellen en kan een ontleding alleen gebeuren in het putje van de winter, als er tenminste een vers lijk voorhanden is. Zelfs dan maakt de chirurgijn allereerst een snede in het onderlichaam, om gauw-gauw de meest onwelriekende delen van het spijsverteringskanaal aan het publiek te tonen en daarna onverwijld te laten afvoeren. Dat Adriaenszoon op Rembrandts meesterwerk met dichte buik maar open arm wordt afgebeeld, is eveneens een kunstgreep van de schilder.

Het verhaal over De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp is, met zijn ontrafeling van waarheid en verdichtsel, exemplarisch voor Hugh Aldersey-Williams’ cultuurhistorische geschiedenis over de ontdekking van het menselijk lichaam. De auteur werkt zich stap voor stap en orgaan per orgaan door de materie, waarbij hij de droge feiten naadloos verweeft met een massa culturele en geschiedkundige weetjes en met zijn eigen ontdekkingsreis.

Daarbij heeft hij niet gekeken op een inspanning meer voor zijn research. Hij ontleedt zelf een lijk, volgt anatomische tekenlessen, gaat bloed geven, laat zijn hersenen scannen en haalt vier paar losse varkensogen bij de slager om ze thuis om te bouwen tot een camera obscura. Dit houdt de vaart in zijn verhaal, net als het feit dat de auteur thuis is in de populaire zowel als de elitaire cultuur. En de cultuurgeschiedenis van continentaal Europa kent hij net zo goed als die van zijn eigen Engeland, getuige het bezoek aan het Groeningemuseum in Brugge, waar hij de Madonna met kannunik Joris van der Paele van Jan van Eyck aangrijpt om het uitgebreid over wratten te hebben (de kannunik heeft een fraai exemplaar op zijn rechteroor, dat Van Eyck ook schildert, maar dat in latere eeuwen is weggeretoucheerd) (1).

Anatomie is bijna helemaal verdreven uit de opleiding, schrijft de auteur. In 1900 kreeg een student geneeskunde misschien 500 uur anatomieles. Tegenwoordig is daar misschien nog een derde van over. En die anatomie wordt steeds minder een fysieke, reële, eigenhandig uitgevoerde ervaring en steeds vaker een digitaal beeld op een scherm. Het lichaam is, kortom, beschouwd als uitgelezen boek. Dit wordt mij bevestigd door de bittere klacht van een oud-klasmakker, die anatomie doceert aan een Nederlandse universiteit.

Aldersey-Williams houdt zich zo ver mogelijk van het vakjargon en schrijft niet ‘femur’ als hij dijbeen kan schrijven. Maar hij laat ons ook kennismaken met andere dan alleen de biologische dimensies. Welke rol speelde het lichaam door de eeuwen heen in de beeldende kunst en de literatuur?

In de middeleeuwen werd iemands hart bijvoorbeeld vaak bewaard of los van het lichaam begraven omdat het werd beschouwd als het orgaan dat het sterkst verbonden was met de ziel. Zo is bij opgravingen in de O.-L.-Vrouwekerk te Brugge, in 1979 het stoffelijk overschot ontdekt van hertogin Maria van Bourgondië, de dochter van Karel de Stoute. Zij overleed na een jachtongeval in 1482. In de loden kist (zichtbaar opgesteld bij het praalgraf) met haar gebeente lag een loden doosje, waarop een inscriptie aanduidt dat hierin het hart geborgen is van haar zoon Filips de Schone (1478 - 1506), vader van Karel V (2).

De knappe historische roman van Willy Spillebeen, Busbeke, of De thuiskomst, uit 2000 verhaalt in de epiloog hoe in 1932 twee arbeiders in het kerkje van Bousbecque (Busbeke voor de Vlamingen) een loden kistje blootlegden, dat het gebalsemde hart bevatte van diplomaat en humanist Ogier van Busbeke (1521 (?) - 1591). De proloog sluit aan bij de epiloog. Madame de Mallocy, die de stervende Busbeke verzorgt, heeft gewetensproblemen, omdat hij gevraagd heeft zijn hart te laten balsemen en afzonderlijk te begraven (3).(J.M.)

Hoe knap ook: de auteur studeerde natuurwetenschappen in Cambridge, maar is geen historicus. Sta me daarom toe volgens zijn eigen methode nog op twee andere plaatsen hier en daar in te grijpen om te verduidelijken.

p. 29. Na de verovering van Constantinopel door de Ottomanen in 1453 kwam een stroom van medische kennis uit Arabische en Griekse bronnen Europa binnen, schrijft hij. Ik ben verbaasd dit aan te treffen. Het is een zeer hardnekkige doch reeds lang achterhaalde, verouderde opvatting: Arabische wetenschappelijke kennis was reeds eeuwen in grote hoeveelheden doorgedrongen in Europa, zeker vanaf de eerste decennia van de 12de eeuw. Zie op deze site Het Huis der Wijsheid. Hoe Arabieren de westerse beschaving hebben beïnvloed.

Vesalius

En natuurlijk is een hoofdstuk gereserveerd voor de vader van de ontleedkunde, de Brusselaar Andries van Wesel, wiens naam naar goede humanistengewoonte werd gelatiniseerd tot Vesalius.

 

 

 

De titelpagina van De humani corporis fabrica, hét prototype en voorbeeld van de moderne anatomische plaat, ook voor het schilderij van Rembrandt, bijna een eeuw later.

Vesalius komt vrij uitvoerig aan bod van p. 99 tot 105. Op p. 103 vermeldt de auteur dat de geleerde een skelet bij nachtelijke tochten in onderdelen binnen de stad Leuven haalde “met behulp van een bevriende arts.” Dit verdiende een behoorlijke uitweiding, zoals hij dat voor andere onderdelen wél doet. Die ‘bevriende arts’ was namelijk het universele genie Gemma Frisius (1508-1555).

Gemma Frisius (Edelsteen van Friesland), geneesheer, wiskundige, astronoom, instrumentenbouwer en geograaf, is in onze geschiedenis vooral bekend gebleven als helper van Vesalius bij de hierboven aangehaalde anekdote. Hij had echter veel meer in zijn mars en is ten onrechte haast in de vergetelheid geraakt. Gemma Frisius is een spilfiguur, niet alleen voor de Nederlanden, doch voor heel humanistisch Europa. Hij studeerde aan de Leuvense universiteit vanaf 1525 en legde er de grondslag voor de befaamde Leuvense school voor cartografie en instrumentenbouw. Hij was de leermeester van de wereldberoemde Gerard Mercator (4).

Frisius was waarschijnlijk de eerste aanhanger van Copernicus in de Nederlanden. Hij volgde met veel belangstelling diens werk, al jaren voor de publicatie van De Revolutionibus Orbium Coelestium (‘Over de omwenteling van de hemellichamen’, 1543 - het jaar van Vesalius). Zijn persoonlijk exemplaar bleef bewaard in Leeuwarden, vol eigenhandige glossen (aantekeningen) in het Latijn. Frisius koos uiteindelijk voor de geneeskunde, maar ook daarin was er nood aan astronomie, nodig voor de astrologie (toen nog als een volwaardige wetenschap beschouwd) en voor bepaalde behandelingen zoals aderlating, waarvan men geloofde dat er invloed was van de sterrenbeelden. Hij schreef onder nog heel veel meer een boekje waarin hij de methode uitlegde om op grote schaal aan landmeting te doen, waarbij de landmeter zich telkens richtte op een opvallend kenmerk in het landschap (kerk, kasteel, windmolen), waarvan de coördinaten en afstanden werden bepaald via een methode van driehoekspeiling. (Dit is tot ver in de 20ste eeuw aangewend bij militaire stafkaarten.)

In Vesalius’ tijd genoten de herontdekte autoriteiten uit de Oudheid onaantastbaar gezag. Zij en hun opvattingen waren als het ware heilig verklaard, tegengesteld aan wat zij bij leven zelf over de stand van hun kennis dachten. Dat gold zowel voor Ptolemaeus op het gebied van de geografie als voor Galenus (beiden 2de eeuw na Chr.) voor geneeskunde, wiens ideeën de medische wetenschap bijna 1500 jaar lang domineerden. Sylvius, Vesalius’ leermeester aan de Sorbonne, formuleerde het als volgt: “Als de bevindingen niet overeenkomen met Galenus, dan moet het een geval van degeneratie zijn, of de mens is sindsdien veranderd.”
Bepaald verhelderend voor de geest van de Nieuwe Tijd (en beter dan het voorbeeld van de auteur) is de proefondervindelijke vaststelling van Vesalius dat een menselijke onderkaak slechts uit één deel bestaat en niet uit twee, zoals Galenus beschrijft. Toevallig ontdekt hij dat Galenus voor een aantal onderdelen van zijn boek steunt op de dissectie van apen en niet van menselijke resten.

Andreas Vesalius, die reeds op 23-jarige leeftijd docent in de anatomie werd aan de universiteit van Padua, liet zijn duidelijke anatomische tekeningen op verzoek van zijn studenten in hout snijden en drukken op grote, losse bladen papier.
Dat studentenverzoek zou uiteindelijk uitmonden in zijn monumentale en baanbrekende De humani corporis fabrica (Over de bouw van het menselijk lichaam, 1543) geïllustreerd met de magistrale houtsneden naar tekeningen van (hoogstwaarschijnlijk) Jan Steven van Kalkar (1499-1546), een medewerker in het atelier van de beroemde Venetiaanse schilder Titiaan (1487 – 1576).



Twee van de twaalf "spiermannen". De originele houtblokken zijn vernietigd door de geallieerde bombardementen op München tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gelukkig zijn er voldoende originelen van de Fabrica bewaard.

Op p. 101 schrijft de auteur: “De 14 platen, naast elkaar gelegd, laten op de achtergrond een panoramatekening zien, wellicht de Eugenische heuvels van Abano Terme, een landstreek even buiten Padua.” Dit is helemaal niet zeker. Wel schijnt het landschap een eenheid te vormen, bezaaid met ruïnes en dit vertelt zo meer over de geest van Renaissance dan een hele bibliotheek. De Renaissance is, zeggen de schoolboeken immers, de herontdekking van de mens, de Oudheid en de natuur. Daarbij is de houding van het skelet geen toeval, maar weerspiegelt een opvatting die al veel ouder is dan de 16de eeuw en nog heel lang zal doorwerken, misschien tot in onze 21ste eeuw toe.

De Fabrica veroorzaakte sensatie in de geleerde wereld en kende meteen een eclatant succes. Overduidelijk vulde het schitterend uitgegeven werk een lacune op. Specialisten noemen het zelfs de perfecte illustratie van de bewering dat de boekdrukkunst wel moest uitgevonden worden, omdat de nood aan boeken zo gestegen was, dat manueel kopiëren de vraag niet meer kon bijhouden. (5)!
Natuurlijk groeide er even meteen dadelijk ook heel wat tegenwerking, zelfs van vroegere vrienden en leermeesters: een snotaap, een broekje van nog geen dertig die het waagde de autoriteit van Galenus aan te tasten. Wat een euvele overmoed!

Centraal in het denken van Galenus stond het gedachtegoed van Hippocrates van Kos ( ca. 460 – 370 v.Chr.) dat het menselijk lichaam gevuld is met vier lichaamssappen of humores, te weten slijm, bloed, gele gal en zwarte gal, en dat elk sap een bepaald temperament vertegenwoordigt (6). Onbalans in hoeveelheden van een of meer van deze sappen zou ziekte en andere stoornissen veroorzaken. Zo'n gebrek aan evenwicht werd behandeld door middel van een dieet. Nieuw was dat Galenus deze sappen koppelde aan vier grondkwaliteiten: warm, koud, vochtig en droog:

Slijm: koud en vochtig
Bloed: warm en vochtig
Gele gal: warm en droog
Zwarte gal: koud en droog

De allermooiste voorstelling om dit te verduidelijken is de zodiak- of aderlaatmens uit Les Très Riches Heures du Duc de Berry (ca. 1415). Hij geeft aan welke organen onder invloed van welke sterrenbeelden staan. De tekens van de dierenriem zijn verdeeld in vier groepjes van drie die corresponderen met de vier temperamenten en de vier elementen. Deze unieke voorstelling komt in geen enkel ander getijdenboek -een religieus werk!- voor en is een toegevoegde buitentekstminiatuur. Vergeet niet: zelfs Vesalius, de vader van de moderne anatomie heeft een ‘serieus’ boekje geschreven over het aderlaten!

 


Zodiakmens uit de ‘Très Riches Heures du Duc de Berry’.

Vesalius beklaagde zich in brieven herhaaldelijk over de talrijke piraatuitgaven die her en der opdoken, vaak met erbarmelijke kwaliteit van drukwerk en minderwaardige illustraties.

De reputatie van de later wereldberoemde Antwerpse drukker Christoffel Plantin werd voorgoed gevestigd door de meest befaamde plagiaateditie, de Vivae imagines partium corporis humani (‘Levendige afbeeldingen van delen van het menselijk lichaam’) door Johannes Valverde in 1566. Die wordt beschouwd als een keerpunt in de geschiedenis van de boekillustratie omdat hij hiervoor prachtige burijngravures op koperplaat gebruikte, in plaats van houtsneden zoals Vesalius.
Kopergravure is namelijk veel duurder dan houtsnede, maar laat meer gedetailleerde tekeningen en grotere oplagen toe. In tegenstelling tot houtsneden kunnen zij niet in het gewone druksel opgenomen, maar moeten afzonderlijk op een speciale pers afgedrukt.

In de beginperiode van de drukkunst werd soms zelfs met fraaie gotische letters op perkament gedrukt, zoals je kan zien in het befaamde Antwerpse Museum Plantin-Moretus. De afwerking met bladgoud en inkleuring geschiedde dan met de hand, als bij een manuscript. Zo bezat de universiteit van Leuven een kostbare gedrukte uitgave op perkament van Vesalius' De humani corporis fabrica, door keizer Karel V aan haar geschonken. (Zijn persoonlijk exemplaar? Vesalius was immers zijn lijfarts.) Die werd vernietigd, samen met 800 incunabels en talloze middeleeuwse manuscripten, toen de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog Leuven en de universiteitsbibliotheek platbrandden (25 augustus 1914).

Het vervolg

Vervolgens leren we wat onderzoekers vanaf Vesalius’ tijd hebben bijgeleerd, punt per punt, orgaan per orgaan. Laat me volstaan met de verdere inhoud weer te geven. En als enig echt zwak punt te noteren: de kwaliteit van de illustraties in zwart-wit. Gelukkig kun je die vlot terugvinden op internet.

Tot slot nog dit: de vertaling van dit boek is een feest. De vele woordspelingen en gezegden die verwijzen naar lichaamsdelen en die in het Engels heel anders luiden dan in het Nederlands, heeft Inge Pieters trefzeker omgezet. Een extra ster daarvoor.

De onderdelen
- Deelkaarten p. 99
- Het hoofd p. 121
- Het gezicht p. 138
- De hersenen p. 157
- Het hart p. 175
- Bloed p. 191
- Het oor p. 206
- De maag p. 236
- De hand p. 247
- Het geslacht p. 266
- De voet p. 281
- De huid p. 294

Deel Drie:
- De toekomst
- Gebiedsuitbreiding

Referentie

 

Aldersey-Williams, H. (2013). Anatomie. De ontdekking van het menselijk lichaam. Amsterdam: Uitgeverij. Thomas Rap, 2013, 381 blz. - vertaald door Inge Pieters. Ook verkrijgbaar als eBoek.

 

Verdere literatuur

* Saunders, J. &  O’Malley, Ch. (1982). The anatomical drawings of Andreas Vesalius, New York: Bonanza Books, .

* V anpaemel, G. & Padmos, T. (2000) Wereldwijs. Wetenschappers rond keizer Karel. Leuven: Davidsfonds.

* Dequeker, J. (2006). De kunstenaar en de dokter. Anders kijken naar schilderijen, Leuven: Davidsfonds.

Romans

Verleyen, Cyriel (1957). Schipbreukeling op Zante. Leuven: Davidsfonds. Later herwerkt tot een adolescentenroman als Vesalius, Schipbreukeling op Zante, Averbode, Altiora, 1980³.

Tulkens, Joris (2013). Vesalius. Een beroemd anatoom gevangen in de intriges van het Spaanse hof, Leuven: Davidsfonds, 351 blz.

Rood, Lydia (2013). De jongen die in de muur verdween, Amsterdam: Leopold/ Gemeentemuseum Den Haag.

Websites

* Andreas Vesalius Bruxellensis

* Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience, hier kun je de hele Fabrica online exploreren.

Noten

1. Meer over dit meesterwerk, zie op de Joos de Rijcke-site: Van Eyck als informatiebron, voornamelijk het onderdeel Spiegels en lenzen bij Van Eyck?


2. Zie op deze site Karel de Stoute herleeft in Brugge, vooral het laatste onderdeel, Moordende tombes, ontleend aan: Smolderen, L., De laatste reis van Karel de Stoute van Nancy naar Brugge, in: Kunsttijdschrift Vlaanderen, jg. 58, april 2009, p. 122-123.
De praalgraven bevinden zich in het hoogkoor van de kerk.
Van Maria’s vader, Karel de Stoute, is hier enkel het praalgraf aanwezig. Zijn stoffelijke resten werden door keizer Karel V, een kleinzoon van Maria, vanuit Frankrijk naar Brugge overgebracht. Vermoedelijk werd hij in de inmiddels verdwenen Sint-Donaaskathedraal op de Burg begraven. Zijn lijk is nooit teruggevonden.

3. Zie: Ogier van Busbeke, 1521 (?) - 1591. De man die de tulp naar Europa bracht.
Busbeke stierf in 1591 op het kasteel van Saint-Germain bij Cailly, waar hij, op weg naar zijn domein in Bousbecque, na een onverkwikkelijk avontuur met plunderende soldaten, was opgevangen door de kasteelvrouwe, Madame de Mallocy. Bousbecque/Busbeke ligt in Frans-Vlaanderen, nu Frankrijk, toen behorend tot de Nederlanden, zo'n drie kilometer van het Franse Wervicq Sud en het Belgische Wervik, en een zestal kilometer van Comines-Komen.

Willy Spillebeen, Busbeke, of De thuiskomst, Leuven, Davidsfonds, 2000, 443 blz.

4. Meer over de relatie Frisius en Mercator: Martens, J., Gerard Mercator (1512 - 1594), De man die de aarde in kaart bracht.

5. Zie hierover op de Joos de Rijcke-site, onder de knop “Eeuw van Joos” over ‘Handschriften en boekdrukkunst’ en bij ‘Waldseemüller en de geboorte van America’, onder deel 3: ‘Holbeins De Franse gezanten’, 3.07: ‘Netwerken’.

6 Over de plaats van humoren en temperamenten in het wereldbeeld van de middeleeuwen en nog lang daarna, zie in Histoforum Magazine (2012): Liber Floridus 1121. De wereld in één boek


Jos Martens, 1 januari 2014