artikelen over geschiedenis didactiek

Visioenen van een ideale wereld?

Het wereldbeeld van Thomas More en zijn Utopia (1516). Van der Stock, Jan (redactie).Op zoek naar Utopia, Leuven, Museum M./Davidsfonds, 2016, 430 blz. - Catalogus, bibliografie, index

Visioenen van een ideale wereld?  

Het wereldbeeld van Thomas More en zijn Utopia (1516)


Erasmus’ Lof der Zotheid was nooit bedoeld om te worden uitgevoerd, terwijl mijn Utopia op zijn minst een droombeeld wilde zijn van een betere samenleving. (JorisTulkens, Thomas More. Een leven in vijf vriendschappen p. 247)

2016 was een jaar van overlijdens en herdenkingen. Voor polyvalente supersterren als David Bowie (1947 - 10 januari 2016), Prince (1958 – 21 april 2016), Leonard Cohen (1934 - 7 november 2016) en, dichter bij ons, Toots Thielemans (1922 – 22 augustus 2016) is haast overmatig wereldwijd gerouwd door hele horden fans, die hun verdriet uitdrukten met bloemen, kaarsen, dans en zang

Hier beperken wij ons tot twee belangrijke evenementen in de culturele sector: Jeroen Bosch, van wie het overlijden in 1516 met overdonderend succes gevierd is in een ‘once in a lifetime’ tentoonstelling in ’s Hertogenbosch, geopend door koning Willem-Alexander in hoogsteigen persoon; voor de activiteiten rond de uitgave van Thomas Mores Utopia in de universiteitsstad Leuven, eind 2016, was de befaamde Italiaanse semioloog Umberto Eco (De naam van de Roos, 1980) gevraagd als curator. Maar die overleed ondertussen zelf, 84 jaar oud, op 19 februari 2016.

De reeds lang volledig uitverkochte Bosch-tentoonstelling klokte zondag 8 mei 2016 af op 421.700 bezoekers.
De tentoonstelling Op zoek naar Utopia, in Museum M liep van 20 oktober 2016 tot 17 januari 2017. Ze sloot op 90.137 bezoekers.
Het hele stadsfestival trok een recordaantal van meer dan 220.000 deelnemers. Net als twee jaar vroeger voor de Vesalius-herdenking waren en immers nog concerten, lezingen, een colloquium plus kleinere thematische exposities over missionering, Bijbelstudie…
In de monumentale universiteitsbibliotheek liep gelijktijdig een tweede groots opgezette, meer op documenten en authentieke briefwisseling gebaseerde tentoonstelling Utopia & More. Daarover hebben we nog geen gegevens.

Vooraf

Een groots opgezette tentoonstelling als deze wil aanzetten om via een selectie van goed gekozen voorwerpen, een tijd en tijdgeest te helpen begrijpen. En de catalogus heeft uiteraard dezelfde bedoeling. Maar hoe omvangrijk hij ook is, meer kan hij niet doen. Dat begrenst meteen zijn actieradius.
Een catalogus is nooit volledig wat je verwacht. Daarom heeft de recensent bij elk voorwerp van zijn selectie aanvullingen aangebracht en relevante links naar gemakkelijk bereikbare bijdragen. Vanaf het ‘magische jaar’ 2000 zijn we vrijwel onafgebroken bezig geweest met deze zo cruciale era in de westerse intellectuele geschiedenis, wat resulteerde in een aantal artikelen waarvan de meeste ook op deze site (1).

Tentoonstellingscatalogi worden zelden gerecenseerd in literaire tijdschriften of op websites. Ten onrechte. Het zijn al lang niet meer 'praatjes bij plaatjes'. De laatste decennia groeiden zij uit tot volwaardige (buitengewoon fraai geïllustreerde en steeds duurder wordende) naslagwerken waarin een plejade van specialisten een verantwoorde meestal leesbare, want voor een ruim publiek bestemde synthese brengt van de meest recente wetenschappelijk inzichten op hun studieterrein.

Deze catalogus is andermaal een kanjer, 2. 730 kg zwaar, 430 blz. op dik glanzend papier, groter en zwaarder dan mijn laptopcomputer! Sublieme illustraties, ook over kunstwerken buiten de tentoongestelde voorwerpen met daarenboven bijdragen van niet minder dan 30 experts. Uitgangspunt is dat Utopia een ‘gouden boekje’ is. Tussenbladen zijn daarom goudkleurig. Maar helaas ook titels en vooral de voetnoten: goudkleurig, wat hen onder kunstlicht haast onleesbaar maakt. En zo petieterig klein gedrukt! Kortom: irritant, en liefst geen na te volgen voorbeeld.


Bespreking

Introductie

December 1516 drukte Dirk Martens, de eerste gekende drukker van de Nederlanden in Leuven een klein boekje, amper 54 bladzijden dun. De auteur was de Engelse humanist Thomas More en de titel van het ‘niemendalletje’: Utopia (Nergensland).

De ontvangst van Utopia was overweldigend. De beroemde 16de –eeuwse Franse drukker Budé somt drie kenmerken op die het boekje tot een baanbrekend werk verhieven: het pleidooi voor de absolute gelijkheid van alle schepselen Gods (niet vanzelfsprekend in de hiërarchische maatschappij met haar klassenverschillen); de onvoorwaardelijke liefde voor rust en vrede, een zeldzaam goed in deze nieuwe tijd; de ondubbelzinnige afkeer van de auteur van al wat goud en zilver is. De weerklank galmde over vijf eeuwen heen en Utopia inspireerde denkers, politici en helaas ook dictators tot onze tijd toe. Utopia is het meest beroemde werk gebleven van Thomas More (humanist, martelaar: op last van Hendrik VIII terechtgesteld in 1535, heilig verklaard in 1935).

De kiem van deze grootse tentoonstelling ligt bij wijlen Jan Roegiers (1944-2013), historicus & hoofdbibliothecaris KU Leuven en Veronique Vandekerckhove (1965-2012), eerste conservator van het nieuwe Museum M (Leuven), die beiden helaas de verwezenlijking niet meer hebben kunnen beleven.
Vlak na de plechtige opening in 2009 met de expositie over de schilder Rogier van der Weyden (1400-1464) door de twee toekomstige koninginnen, Mathilde en Maxima, zetten zij de eerste stappen naar de herdenkingen van Utopia in 2016.

Aan Op zoek naar Utopia is meer dan zeven jaar gewerkt. Jan Van der Stock, de curator, zorgde ervoor dat werken en voorwerpen van heinde en verre naar Leuven zijn gebracht en een nooit eerder geziene dialoog met elkaar voeren in Museum M.

Het resulteerde in een uitgekristalliseerd parcours, dat leidt van topwerk naar topwerk. Behalve schilderijen, retabels, renaissanceportretten en gepolychromeerde bustes, selecteerden de organisatoren precieuze miniaturen en boekillustraties, globes en astrolabia, een acht meter lang wandtapijt uit Toledo dat de beweging van het universum voorstelt, of de Mappa mundi van Pierre Desceliers die voor het eerst de British Library verliet.

Een centraal thema in het denken en het schrijven van de humanisten was de vraag of de mens en de wereld maakbaar zijn. Ze vonden een positief antwoord, op de eerste plaats in onderwijs en vorming. More heeft slechts enkele tientallen pagina’s nodig om haarscherp een samenleving uit te tekenen die nu, vijfhonderd jaar later, op vele punten nog verrassend actueel klinkt. Hij beschrijft de herverdeling van rijkdom, opvang voor kinderen, gratis onderwijs voor iedereen, gelijke kansen op basis van talenten en democratische verkiezingen. Hij wijst op het belang van mooie en aangename tuinen in de steden, pleit voor administratieve vereenvoudiging en hij legt omstandig uit op welke wijze een werkdag van zes uren (drie in de ochtend en drie in de namiddag) enorme voordelen biedt voor Utopia. En, zo voegt hij er fijntjes aan toe: in Utopia mag vrije tijd enkel en alleen besteed worden aan zinvolle vorming, waarbij mannen en vrouwen gelijk zijn. In Utopia is er godsdienstvrijheid en euthanasie is er een gangbare praktijk. De bewoners beheersen als geen ander de astronomie en hechten geen enkel belang aan astrologie. Het is verbazend dat het boekje al in 1516 van de drukpers kwam. Op andere momenten is More een kind van zijn tijd en spreekt hij zonder te aarzelen over ongelimiteerde kolonisering en meedogenloze doodstraf voor hen die niet mee willen. Maar we kunnen More natuurlijk niet verwijten dat hij de onzalige geschiedenis van de twintigste eeuw niet kende. Utopia is in geen geval een partijpolitiek programma. Het is een intellectueel experiment, een geslaagde poging om een coherente utopie te articuleren zonder rekening te houden met alle praktische consequenties ervan.

Uitgangspunt van het project in 2016 is dus een concreet Leuvens historisch feit: de eerste uitgave van Utopia. De tentoonstelling Op zoek naar Utopia is echter ruimer opgevat. Ze gaat over de Europese fascinatie voor de mens als individu, de menselijke droom van een betere wereld en de interesse voor het alomvattende mysterie van het universum, de tijd en de planeten. Het is een zoektocht naar kennis, rijkdom en macht en ja, ook naar geluk. De tentoonstelling bestaat uit vier bewegingen.

In de eerste beweging staat het boek Utopia volop in de schijnwerpers. Er wordt ingezoomd op de intellectuele en de culturele context waarbinnen de publicatie tot stand kwam. Dit eerste deel is helemaal opgebouwd rond het bijna onooglijk “gouden” boekje van Thomas More. Het wordt als het ware gesacraliseerd door het op een “gouden” sokkel te plaatsen. Enkele latere uitgaven en vertalingen maken -- symbolisch -- duidelijk dat de ideeën van More over de ideale staat snel hun weg vonden naar een ruim en internationaal publiek. Het verhaal van het boek Utopia is ook een verhaal over een hechte vriendschap. De hoofdrolspelers zijn nadrukkelijk aanwezig: More zelf uiteraard, Erasmus en de Antwerpse stadsgriffier Pieter Gillis, drie vrienden en drie bijzonder scherpzinnige geesten. Ook het vroegste en unieke Leuvense stadspanorama dat van omstreeks 1540 dateert en waarin de stad zich expliciet profileert als cultureel en intellectueel centrum, krijgt een ereplaats.

De tweede beweging, Beelden van Paradijs en Hel, laat zich leiden door het ritme van passie, devotie en doodsangst. Alle drie zijn het fundamentele drijfveren van het menselijk bedrijf die naadloos bij mekaar aansluiten. De passionele Tuin der Lusten, de crypto-erotische Roman de la Rose en het enigmatische Schuttersfeest van een anoniem Antwerps kunstenaar die enkel gekend is onder zijn noodnaam de “Meester van Frankfurt”, zijn de kwintessens van deze afdeling.

De derde beweging zoekt naar het Terra Incognita, het “ongekende land” of de verleidelijke en mysterieuze utopische wereld achter de horizon. De verbeelding van het onbekende en het vreemde geeft concrete vorm aan het verlangen om er naar op zoek te gaan.
Allerhande monsters en bizarre wildemannen bevolken de nog onbekende gebieden. De hele aarde komt letterlijk binnen handbereik wanneer de Franse cartograaf Pierre Desceliers in 1550 zijn Mappa mundi (een wereldkaart) voor de Franse koning op perkament uittekent.

In het midden van de zestiende eeuw zijn de contouren van de continenten en de wereldzeeën vrij nauwkeurig gekend, enkel de veronderstelde grote landmassa in het zuiden, Terra Australis, blijft grotendeels giswerk. De binnenlanden van Amerika, Afrika en Azië worden helemaal opgevuld met utopische verbeelding, losjes gebaseerd op sterke verhalen van reizigers en een rijke fantasie.

De vierde beweging vormt het slotakkoord. Rond 1516 zijn ruimte en tijd gerationaliseerd en meetbaar. Als in een ultieme utopie wil de mens het universum en de eeuwigheid begrijpen en vasthouden. Wetenschap en kunst versmelten in een grandioze vorm. De bewegingen van het universum, het reusachtige Brabantse wandtapijt van omstreeks 1500, vat het mysterie perfect samen. Een engel brengt met een zwengel het universum in beweging. Het wandtapijt wordt verder bevolkt door allerhande personificaties, mythologische figuren en sterrenbeelden.

En de jonge prinses op het portret door Jan Gossaert, wellicht het mooiste kinderportret uit de Nederlanden van de zestiende eeuw, houdt het universum in één hand, zoals alleen een kind dat kan, op zoek naar Utopia.

De hele tentoonstelling bespreken, is een onbegonnen opgave. Buiten de werken hierboven vermeld, beperken we ons tot een paar voorwerpen die aansluiten bij de reeks eerder gepubliceerde bijdragen over wereldbeeld en tijdgeest (1).

1. Utopia, het gouden boekje

 

Utopia was altijd al een dobberende boodschap in een fles, een boodschap aan de toekomst.


Het boekje Utopia markeert symbolisch het begin van een nieuw tijdperk in het Europese intellectuele denken. Voluit luidt de titel: Een gouden boekje, niet minder heilzaam dan grappig, over de ideale republiek en over het nieuwe eiland Utopia. Al in 1473 had Martens zijn eerste werken gedrukt in Aalst. Later richtte hij een drukkerij op in Antwerpen en tenslotte in Leuven.

Hij ontwikkelde er zich tot de vaste drukker/uitgever van verscheidene wereldberoemde humanisten die in het begin van de zestiende eeuw in Leuven onderzoek verrichtten en er les gaven. Zijn goede vriend Erasmus speelde hierbij een hoofdrol.

Doorheen de geschiedenis stuitert de betekenis van het woord “utopie” tussen naïeve droom en krachtige actie. Het eiland Utopia werd een half millennium geleden door de humanisten Thomas More, Desiderius Erasmus en Pieter Gillis bedacht om hun ideale maar volkomen fictieve plaats een naam en dus een tastbare vorm te geven. Utopia ligt “nergens”, ver achter de horizon. Is de perfectie van dat eiland een evidente illusie, de droom van een ideale wereld is dat zeker niet. De verbeelding is echt. Het verlangen zet mensen als een sterke motor in beweging, op belofte van geluk maar ook met het risico op ontgoocheling en fiasco. Dit is de essentie van het verhaal: de tocht naar Utopia verloopt met vallen en opstaan, het eiland zelf wijkt en blijft altijd buiten bereik. De droom blijft intact of wordt een nachtmerrie.

Utopia werd meer dan de titel van een boek, het werd een nieuw woord en een nieuw literair en artistiek genre. Het boekje analyseert in vlijmscherpe bewoordingen de toenmalige samenleving, verziekt door hebzucht en afgunst, en het formuleert een utopisch alternatief.
De vingeroefening van More en zijn vrienden is vandaag actueler dan ooit. Mensen zijn nog altijd op zoek naar hun Utopia. Het is geen vrijblijvend verhaal.

De naam Utopia (de woorden “utopie” en “utopisch” zijn afgeleid van de titel van het boek en niet omgekeerd) is een woordspeling, kenmerkend voor de humor van de tijd. Het woord is een neologisme dat speelt met het Griekse eu-topos “goede plaats” en tegelijk ook met ou-topos “geen-plaats”. More voert een mysterieuze verteller ten tonele om het verhaal van het eiland Utopia te doen. Raphael Hythlodaeus of de “Beuzelaar” (weer zo’n woordgrapje) verbleef er naar eigen zeggen niet minder dan vijf jaar. Als kritische distantie van de auteur kan dat tellen: More heeft het verhaal maar “van horen zeggen”. Maar Hythlodaeus lijkt wel een literair alter ego van Erasmus. Hij is immers de grote afwezige in het boek en veel van wat er gezegd wordt, is zeer door hem geïnspireerd.

De genese van het boekje is goed gedocumenteerd, zoals kan teruggevonden in de historische roman van Joris Tulkens, Thomas More. Een leven in vijf vriendschappen.


Kaart van het eiland Utopia (l.) en Utopisch alfabet met vierregelig gedicht in het Utopisch, met transcriptie en Latijnse vertaling (r.) door Pieter Gillis in de eerste druk door Dirk Martens, Leuven, december 1516.
Formaat: 4°. Brussel, Koninklijke Bibliotheek van België.

 

Cat. 3. Portret van Thomas More


Portret van Thomas More door Hans Holbein, 1527
Olieverf op lindehout, 74,9 x 58,4 cm – Londen,National Portrait Gallery
Zeer nauwkeurige kopie op ware grootte van origineel in de Frick Collection New York (origineel mag niet uitgeleend worden.) More is hier 49 jaar oud. Op zijn gouden ambtsketen de dubbele Tudorroos.
Dit is het mooiste en meest gekopieerde portret van More.


De dubbele Tudorroos symboliseert het samensmelten van de witte roos van York
met de rode van Lancaster, waardoor Hendrik VII een einde stelde aan de Rozenoorlogen na de dood van Richard III in de slag bij Bosworth (1485) en zijn daaropvolgend huwelijk met Elisabeth van York, dochter van Edward IV van York.

De hele Rozenoorlogcyclus in de romans van Philippa Gregory.
Gregory, Philippa, De rozenkoningin, (The White Queen), Amsterdam, De Boekerij, 2010; De roos van Lancaster, (The Red Queen), Amsterdam, De Boekerij, 2011; De witte roos (Lady of the Rivers), Amsterdam, De Boekerij, 2012; Dochters van de Roos, (The Kingmaker’s Daughter) Amsterdam, Meulenhoff, 2014 . Lees ook liefst eerst: Josephine Tey, Een koninkrijk voor een moord

 

Cat. 5. Familieportret van Thomas More 1593


Rowland Lockey, deels naar Hans Holbein
Olieverf op doek, 227,4 x 330,2 cm – Londen,National Portrait Gallery.


Besteld door Thomas More II. Links zit Sir John More (ca. 1451-1530), vader van Thomas, in rechterstoga. Naast hem Thomas. Merk de overeenkomst met het portret van More, cat. 3.
De zeven personen links zijn gekopieerd op Holbeins verdwenen schilderij van de familie van More. Holbein schilderde het tijdens zijn eerste verblijf in Engeland (1526-1528), toen hij op aanbeveling van Erasmus een tijdlang bij More introk.
Van Lockeys latere schilderij bestaan aan aantal versies. Het oorspronkelijke ontwerp is te reconstrueren via de beroemde tekening die Holbein als voorstudie maakte, waarop Nikolaus Kratzer naam en leeftijd van de afgebeelde personen noteerde en die More opstuurde naar Erasmus. Deze bedankte hem ervoor in een brief van september 1529.

Een andere versie van het schilderij vind je bij JorisTulkens, Thomas More. Een leven in vijf vriendschappen.


Op de tekening zijn correcties genoteerd, die More vermoedelijk wilde laten aanbrengen. Merk de klok, prominent boven in het midden: een belangrijk statussymbool. Op het grote schilderij van Lockey is duidelijk te zien dat ze slechts één wijzer heeft, zoals alle uurwerken in deze periode en dus alleen de uren kan aanduiden. De twee gewichten bedienen de uurwijzer en de bel, boven op de klok. Een slinger is nog niet aanwezig. De tekst in de cataloog zegt alleen:”De klok kan wijzen op het feit dat de Mores hun huishouden goed geregeld hadden.”

Iets meer over Kratzer. Holbein schilderde hem in 1528 als geleerde cartograaf en een aantal instrumenten van dit schilderij kopieerde hij in 1533 op De Franse gezanten.


Kratzer werd geboren in 1487 en studeerde aan de universiteiten van Keulen en Wittenberg. In januari 1517 schreef de Antwerpse humanist Pieter Gillis (de man van het Utopisch alfabet) voor hem een introductiebrief aan Erasmus, die toen in Leuven verbleef. Aan het einde van datzelfde jaar was Kratzer in Engeland. Hier trok hij de aandacht van Thomas More en kardinaal Wolsey en trad in dienst van Hendrik VIII als kosmograaf, astroloog en horlogemaker. Dit is een parallel met het netwerk waardoor Holbein toegang kreeg tot het Engelse hof: Erasmus - More - Hendrik VIII.


Holbein zou niet alleen Erasmus en More portretteren, maar hij schilderde ook een indringend portret van Thomas Cromwell, de man die de val van More bewerkstelligde (zie bij Tulkens’ Thomas More). Hij bracht het zelfs tot hofschilder van Hendrik VIII. Tot hij voor een aantal jaren in ongenade viel, omdat hij naar de smaak van de koning Hendriks vierde huwelijkskandidate, Anna van Kleef, wat te gevleid had afgebeeld.
Nauwelijks weer in de vorstelijke genade opgenomen, stierf hij tijdens een nieuwe pestepidemie in 1543.

Cat. 13 A & B – 14 A & B
Quinten Metsys, Portretten van Erasmus en Pieter Gillis, 1517.


In 1517 bestelden Erasmus en Pieter Gillis bij Quinten Metsys een dubbelportret van hun beiden, dat ze als geschenk opzonden naar hun wederzijdse vriend Thomas More. Ze lieten zich afbeelden, werkend in dezelfde kamer, aan dezelfde tafel.
De beide luiken van het diptiek raakten later gescheiden. Curator Jan Van der Stock slaagde erin het portret van Erasmus uit de collectie van de Britse koningin samen te brengen met dat van Pieter Gillis uit het Antwerps Museum voor Schone Kunsten.
Op deze tentoonstelling zijn ze voor de allereerste keer weer verenigd. Alleen al hiervoor (en voor het portret van Gemma Frisius) zou ik naar Leuven zijn gespoord om ze eindelijk samen te kunnen zien.

De tentoonstelling biedt eigenlijk meer dan verwacht: eerst zie je het portret van Erasmus uit de Britse Koninklijke collectie, dan twee eigentijdse replica’s uit de atelier van Metsys. De catalogus doet er nog een schepje bovenop: hij brengt een foto van het origineel met Pieter Gillis (3B), uit de collectie van de Earl of Radnor, in Longford Castle dat niet naar de tentoonstelling kon komen.
Waarom de vier? Omdat ze lichtjes verschillen.



Zaal met links buste van de jonge Karel V; rechts de H. Hiëronymus, zowat de patroonheilige van de humanisten; links daarvan een portret van Pieter Gillis en zijn echtgenote.
Midden: links Erasmus uit de Royal Collection, rechts daarvan de twee atelier-replica’s.
(Gekopieerd van Museum M, gratis app)

Alle portretten waren oorspronkelijk met olieverf geschilderd op eikenhout. 14 A, afkomstig uit de Galleria Nazionale d’Arte Antica Rome, is van paneel op doek overgezet. Alle moeten oorspronkelijk ongeveer dezelfde afmetingen hebben gehad, ca. 60 x 50 cm, maar zijn in de loop der eeuwen ingekort.


Het dubbelportret. Huidige staat.

Beginnen we met 13A: het portret van Desiderius Erasmus uit de Britse Koninklijke collectie. De beroemde humanist is aan het werk: de correcties op de Vulgaat van Hiëronymus, om een verbeterde versie van het Nieuwe Testament te verkrijgen, gezuiverd van alle fouten die er gedurende meer dan duizend jaar kopiëren waren ingeslopen. Op de rechterpagina van het geopende boek schrijft hij de openingswoorden van zijn parafrasering van Paulus’ brief aan de Romeinen. De liggende boeken achter hem op de rekken dragen op snee (zoals toen gebruikelijk) opschriften die verwijzen naar zijn arbeid. Van boven naar beneden: Novum Testamentum, Lucianus (geschreven met Griekse hoofdletters LOUKIANOS) en Hiëronymus. Merk zijn pen: hij gebruikt een ganzenveer. Meestal denkt men dat er geschreven werd met de baardveren er nog aan. More heeft die verwijderd, zodat de pen beter in de hand ligt.

13B. Portret van stadsgriffier Pieter Gillis, eveneens Antwerpen 1517.

Dit is de pendant van het vorige schilderij. Op de snee van de boeken achter hem: Plutarchus, Seneca, Suetonius en de Archontopaideia, Grieks voor een van Erasmus’ meest beroemde werken, de Institutio principis christiani, een ‘vorstenspiegel’ bestemd voor de jonge Karel V. Het boek waarop hij zijn rechter wijsvinger legt is Erasmus’ Liber Antibarbarum. In de linkerhand houdt hij een brief van More. Het voorwerp met gaatjes in het deksel, voor hem op tafel, is een poerbus (poederbus), een voorloper van het vloeipapier, waarmee men zeer fijn zand strooide op een pas met inkt geschreven tekst om hem vlugger te laten drogen en zo vlekken te vermijden. Als je in het archief folio’s uit oude boeken kopieert, blijven vaak nog eeuwenoude zandkorrels achter op het glas van het fotokopieerapparaat.
Let op zijn jas ‘met bontkraag’ zegt de catalogus. Heel zeker zijn niet alleen kraag en korte mouwen afgezet met bont, maar draagt hij een mantel die aan de binnenkant volledig gevoerd is met bont. Of de eeuwig kouwelijke Erasmus ditmaal eveneens een soortgelijke bontmantel draagt is op het te donkere paneel niet na te gaan. In ieder geval heeft hij een bontkraag comfortabel omhoog geslagen in zijn hals.
Meer hierover: zie bij Van Eyck als informatiebron en bij Pronk, praal en prestige in: Heksen, hermelijn, hoogmoed en onmondige vrouwen.

14 A en B. Quinten Metsys, Atelierrepliek (?) Portretten van Erasmus en Pieter Gillis

We weten uit de bewaarde correspondentie dat More zeer verguld was met het dubbelportret. Men vermoedt dat Erasmus de replica’s voor zichzelf liet schilderen. Toch is het geen exacte kopie: de opschriften op de boeken in de rekken zijn weggelaten en Gillis houdt een opgerold papier in de hand in plaats van de geopende brief.




2. Voorbij Utopia. Beelden van Paradijs & Hel

Zoals de titel zegt, brengt dit hoofdstuk beelden van het Aards Paradijs (de utopie) en zijn tegengestelde, de hel (de dystopie). Vergeef ons dat we hier slechts snel overheen schaatsen.

Naast het Paradijs op aarde, gesublimeerd in de Besloten Hofjes (zie verder), duikt in een bloedrode kamer de meest gevreesde anti-utopie op: de brandende hel, symbolische voorstelling van totale ontmenselijking en doodsangst voor het kwade.

In veel afbeeldingen is de invloed van Jeroen Bosch merkbaar, met als hoogtepunt een enorm wandtapijt uit het Escoriaal (cat. 22, 292 x 492 cm) dat elk luik van De tuin der lusten in spiegelbeeld weergeeft (wegens de weeftechnieken). De recente grote Bosch-tentoonstelling van 2016 levert voldoende materiaal op voor een nadere studie van het origineel – het is het waard.

Cat. 24. 1493. Het Antwerpse Schuttersfeest



Onoverzichtelijk vol figuren, kan het beschouwd als een sleutelstuk; het dateert uit 1493, een jaar na Columbus’ eerste reis. Het schildert een verhaal van vreugde en genot in een afgesloten tuin, een beschutte paradijselijke omgeving. En van uitsluiting. Tevergeefs proberen buitenstaanders de omheining binnen te dringen. Gewapende wachters bewaken de poort.
Roept het geen beelden op van actuele situaties met massa’s oorlogsvluchtelingen?

Cat. 27 brengt de prachtige paradijsminiatuur van Simon Marmion (ca. 1460) uit een enig bewaard handschrift (Koninklijke Bibliotheek van België) dat we de laatste jaren herhaaldelijk konden bewonderen: in Londen in 2004 en Parijs 2012. Zie: Vlaamse miniaturen.
Om ons overzichtje af te sluiten: cat. 30 met De Zondeval, de beroemde gravure van Adam en Eva door Albrecht Dürer, uit 1504.

Besloten Hofjes

Toen ik als kersverse jonge leraar A1 Toerisme (nu: bacheloropleiding) een halve eeuw geleden een eerste opdracht kunstgeschiedenis kreeg, volgde ik een jaar extra cursus aan de KU Leuven bij de gerenommeerde Bosch-kenner prof. J.K. Steppe. Steppe, een bevlogen docent, liet ons kennismaken met de laatmiddeleeuwse miniaturen, de Vlaamse Primitieven en de Brabantse retabels. Gevolg: een levenslange belangstelling voor de drie items! (Zie op deze site de uitvoerige bijdrage Retabels, de hemel op aarde).
Op een bepaald ogenblik toonde hij ons enkele retabeltjes, in kennelijk slechte staat, met zeemzoeterige kleine poppetjes. “Hier stop ik. Is dit kitsch? Religieuze huisvlijt van nonnetjes of begijntjes? Ik wil alleen dat je weet dat het bestaat, meer niet.”

Dan verdwenen de Besloten Hofjes voor vele decennia achter de horizon van de belangstelling. Op de grote retabeltentoonstellingen, met als hoogtepunt Antwerpen 1993 in de kathedraal, ontbraken ze.
Tot nu. Op de Utopia-expo behoren ze tot de topstukken, die met trots getoond worden. Niet in het minst omdat er slechts zeven overblijven, waarvan er hier drie na zorgvuldige restauratie getoond worden. Maar toch. De cultuurhistorische benadering oordeelt heden duidelijk heel wat positiever over de religieuze huisvlijt van de devote nonnen dan de louter artistieke in het recente verleden

De drie Mechelse mysterieus mystieke Besloten Hofjes uit de eerste decennia van de zestiende eeuw zijn zelfs dé revelatie van de hele tentoonstelling. Dichter bij het utopische ideaal van het paradijs kunnen kunstenaars, in dit geval kloosterzusters, niet komen. In deze fascinerende tuintjes vallen de doorleefde contemplatie van de paradijstuin en een ongebreidelde verbeelding perfect samen. De Hofjes werden speciaal voor de tentoonstelling geconserveerd door een team van acht specialisten die er meer dan drie jaar aan hebben gewerkt. Dat team was nodig door de grote verscheidenheid aan materialen die in de hofjes verwerkt is: honderden objecten in hout, papier, perkament, schilderkunst, zilverdraad…
Resultaat is dat de retabeltjes nu zo mooi zijn als in geen eeuwen mogelijk was!


De restaurateurs aan het werk.

De eikenhouten retabelkast en de popperige houten beeldjes werden door schrijnwerkers en beeldsnijders op bestelling geleverd. Zij zorgden ook voor het vergulden en polychromeren. De rest van de ‘aankleding’ was goed voor honderden uren huisvlijt door de zusters.

Al die spulletjes die bij een eerste blik niet meer dan prullaria lijken, hebben voor de nonnetjes een spirituele betekenis: het zijn souvenirs van heilige plaatsen (meegebracht door bedevaarders?), bloemetjes die de ‘heilige geur’ van het goddelijke oproepen enz.

De artificiële tuintjes reflecteren het verlangen van de gelovige om het verloren utopische paradijs te herscheppen. In de Besloten Hofjes primeert het motief van de locus amoenus, de ‘lieflijke plaats’ waarin het mystieke huwelijk tussen de devote ziel en het goddelijke zich zal voltrekken. Dit locus amoenus- motief was al eeuwen eerder gemeengoed in de ridderepiek, ondermeer in de verhalencycli rond koning Arthur.
Het hofje is besloten, het houdt de boze wereld met zijn bekoringen buiten, vaak met een afsluiting zoals op het Antwerpse Schuttersfeest uit 1493. De hofjes vormen een wereld op zich van verinnerlijking, als het ware de tegenpool van de Grote Ontdekkingen met hun nieuwe horizonten, kaarten en instrumenten om wereld en heelal te meten.

Het tijdverslindende aanbrengen van de versieringen, de concentratie onder contemplatie en gebed maken een mentale pelgrimsreis mogelijk, zonder de beschutting van het veilige klooster te verlaten. Je kunt vergelijken met het volgen van een reisprogramma op televisie vanuit je luie zetel. Of in meer religieuze sfeer: met meditatie bij het bidden van de rozenkrans, of het volgen van een kruisweg in de kerk, of de virtuele Jeruzalemreis wanneer je op je knieën de wendingen van het labyrint aflegt in een bedevaartkerk.

Op de gratis app bij de expositie staat een filmpje van 5.30 minuten over de restauratie.

Cat.33 Besloten Hofje met Elisabeth-Ursula-Catharina


Mechelen, ca. 1520-1530, middenluik
134 x 190 x 25 cm – Collectie Gasthuiszusters Mechelen


Vertegenwoordigd door drie vrouwelijke heiligen domineert in dit Besloten Hofje de notie van deugdzaamheid en dienst aan de gemeenschap.
Centraal (met bundel pijlen in de rechterhand) staat de Heilige Ursula, een van de 11.000 gemartelde maagden, die door de Hunnen werden gedood en in Keulen vereerd. Deze legende was erg geliefd in de 16de eeuwse vrouwenkloosters. Door verkeerde interpretatie van een oude tekst waarin XIM stond voor elf martyres in plaats van het Romeinse getal 11.000, circuleerden er bijzonde veel relieken van deze heilige vrouwen. Zo werden in de abdij van Herkenrode (bij Hasselt) niet minder dan 47, in textiel gewikkelde schedels bewaard van Ursula’s maagden – zie onderaan: Vézelay en het middeleeuwse wereldbeeld, laatste blz. (J.M.)
Links en rechts van haar wordt Ursula vergezeld door de Heilige Catharina van Alexandrië en de Heilige Elisabeth van Hongarije. Middeleeuwse heiligen zijn voor de gelovigen steeds herkenbaar aan hun attributen: Catharina houdt het zwaard in de hand waarmee ze onthoofd werd; Elisabeth draagt tweemaal een koningskroon (op het hoofd en in de hand). De laatstgenoemde was en is zelfs nog de patroonheilige van de gasthuiszusters: heel wat rusthuizen voor bejaarden zijn naar haar genoemd. (attributen: zie Claes, Sanctus). 

Dan zijn er nog twee, veel kleinere beeldjes: het figuurtje rechts, met rode mantel en hoed, is Christus, voorgesteld als tuinman. Links van Ursula valt Maria Magdalena op haar knieën als ze hem herkent. Dit groepje illustreert het noli me tangere (‘raak me niet aan’), de eerste ontmoeting van Christus met een mens na zijn verrijzenis. Dat verhaal is bovendien afgebeeld in het wassen zegel boven de Heilige Ursula.

Merk nog bij de H. Ursula het rode bidsnoer met gouden gebedsnoot (of reukbal?) aan haar gordel. Zie: Retabels, de hemel op aarde en Gebedsnoten.


Detail: “Noli me tangere”, de verrezen Christus als tuinman.

Detail van Besloten Hofje met de jacht op de eenhoorn (cat. 32)


3. Achter de horizon. Verbeelding van het onbekende

Kaarten en globes zijn schitterende instrumenten om te achterhalen hoe de wetenschappelijke kennis evolueerde en hoe het wereldbeeld eruitzag. Kaarten en globes laten zien hoe de makers zich die wereld voorstellen. Ze zijn een spiegel van hun tijd, letterlijk en psychologisch

Tot in de 15de eeuw beheerste één kaarttype de Europese geografie: de mappa mundi, de wereldkaart. Naar hun vorm noemt men deze kaarten O T-kaarten. Je vind ze in alle mogelijke uitvoeringen en afmetingen, van schematische tekeningen tot prachtige miniaturen in manuscripten. Om werkelijk je weg te vinden over onze planeet waren zelfs de grootste en meest gedetailleerde compleet waardeloos. Zij bieden een schematisch uitbeelding van de wereld. In de T-vorm ligt de Middellandse Zee. De kruisvorm van de Middellandse Zee verwijst naar Christus aan het kruis. Sem (in Azië), Iafeth (in Europa) en Cham (in Afrika) zijn de drie zonen van de bijbelse aartsvader Noah, van wie de volkeren in deze continenten heetten af te stammen. Omheen de continenten ligt de grote Oceaanzee (Mare Oceanum).

Middeleeuwse wereldkaarten zijn niet te vergelijken met wat wij nu van een kaart verwachten. Ze zijn een weergave van een religieus wereldbeeld, niet van een geografische realiteit.

Zeker vanaf de 11de eeuw wist men dat de aarde niet plat was, maar een bol. Deze wereldkaarten zijn net als de kathedralen georiënteerd, dit wil zeggen dat het oosten, de Oriënt, bovenaan ligt. Daar ligt immers Jeruzalem en daar lag het Paradijs, het oord van de Schepping. De drie belangrijkste gebeurtenissen van de christelijke heilsgeschiedenis zijn vrijwel steeds op de kaart aanwezig. Het betreft de schepping, de redding door Christus en het Laatste Oordeel.
Vooral na de Eerste Kruistocht (1099) kreeg Jeruzalem een belangrijke plaats op de kaart. (Uit: De grootste Mappae Mundi).
 
Om hun weg te vinden over de oceanen gebruikten de zeelieden portulanen: zeekaarten die de zeeën en de kusten weergaven en meestal zeer nauwkeurig en praktisch waren.
In 1400 werd een manuscript met de Griekse tekst van Ptolemaeus’ Geographia uit Constantinopel meegebracht naar Italië en vertaald in het Latijn. De originele bron bevatte alleen tekst van het eerste theoretische boek, zoals Ptolemaeus die grotendeels zelf had opgesteld. De bijgevoegde kaarten waren waarschijnlijk in de loop der tijden door Byzantijnse en Arabische geleerden telkens aangevuld, gecompileerd en op zijn verheven naam geschreven.
Hiermee kwam het wereldbeeld van de oudheid na vele eeuwen weer binnen het bereik van de geografen.
Zeer snel circuleerden tientallen kopieën in West-Europa, vele vergezeld van wat doorging voor de kaarten van Ptolemaeus, gewoonlijk 27 stuks. Goed voorbeeld is een bijzonder fraai exemplaar op perkament, ca. 1466 vervaardigd, dat wordt bewaard in de Nationale Bibliotheek van Napels.

Ptolemaeus leefde in Alexandrië tussen 100 en 178 na Chr. Zijn geschriften vormden het summum van de wetenschappelijke kennis van zijn tijd. Zijn geografie bouwde voort op het werk van Eratosthenes, Hipparchos en Strabo.
Het coördinatenstelsel dat hij overnam, verbeterde en toepaste, blijft de basis van de moderne cartografie. Lengte- en breedtegraden doen hetzelfde voor het meten van de ruimte als de mechanische klok voor het meten van de tijd. Hij stelde de regel in, die voor ons een tweede natuur is geworden, om op kaarten het noorden boven te plaatsen. Misschien kwam dat doordat alle bekendere plaatsen van zijn wereld zich op het noordelijk halfrond bevonden. Hij vond tevens een manier uit (zelfs verschillende manieren) om de bolvormige aarde op een plat vlak te projecteren. De fouten van Ptolemaeus zijn zeker niet te wijten aan enig gebrek aan kritische zin. Zijn fundamentele zwakke punt was een wanhopig gebrek aan betrouwbare feiten. In de Renaissance zou men hem op Olympische hoogte verheffen als een onaantastbare autoriteit. Maar zelf dacht hij er anders over. Hij waarschuwde alleen die feiten te accepteren, die door verschillende getuigen werden gestaafd. Hij beschouwde zijn werk als een synthese en een momentopname, die moest verbeterd worden en aangevuld in de toekomst.

Met de opkomst van de boekdrukkunst zal het Ptolemaeïsche wereldbeeld het Westen veroveren. Beroemd is de uitgave van Ulm uit 1482, in 1486 reeds herdrukt (Cat.45). De kaarten zijn van fijne houtgravures gedrukt en zo knap met de hand ingekleurd dat ze nauwelijks te onderscheiden zijn van de Napelse manuscriptkaart uit 1466. Thomas More gebruikte een gedrukte wereldkaart van Ptolemaeus als inspiratie bij zijn Utopia (1516). Hij bezat tevens een exemplaar uit de Weltchronik van Hartmann Schedel uit 1493. Niemand minder dan Erasmus publiceerde in 1533 de Editio princeps van de Griekse tekst van de Geographia. (Ingekort uit: De geboorte van ‘America, deel I: De wereld in kaart).

Meer: Mapping the World (2010)

Terra incognita

Toen More zijn Utopia schreef, was Mercator een baby van 4 jaar. De grote cartografische ontwikkelingen moesten nog komen. De Nieuwe Wereld was een ophefmakende revelatie. Bijna tien jaar eerder, in 1507, had de Duitse cartograaf Waldseemüller als eerste op zijn gedrukte wereldkaart en globe –ook al een primeur- het zuiden van de nieuw ontdekte wereld ‘America’ gedoopt, naar Amerigo Vespucci, van wie hij dacht dat die de ontdekker was. Columbus was net tevoren in 1506 overleden en kon dus niet reageren.

Alle dromen van de mensheid werden op de nieuwe werelden geprojecteerd: de droom van een paradijselijk gebied met ongerepte natuur en een niet door de zonden der beschaving aangetaste mensheid, de mogelijkheid om een nieuwe Civitas Dei (Augustinus) te stichten, een ideale christelijke samenleving. Om dat laatste te realiseren is inderdaad door de franciscaner monniken een poging ondernomen in Mexico. Zie hiervoor: Bernardino de Sahagun en zijn encyclopedie van een verwoeste cultuur.

Wat die andere droom betreft: de conquistadores zouden, om te beginnen met Columbus zelf, hun uiterste best doen om het paradijs zo snel mogelijk te bezoedelen met slavernij en het uitmoorden van de oorspronkelijke bewoners, zoals de dominicaan Bartolomé de Las Casas aanklaagde in zijn pijnlijke voor Karel V en kroonprins Filips bestemde Brevisima relaciòn de la destrucciòn de las Indias -1552 (De verwoesting van de West-Indische landen).

Over de keerzijde van de ontdekkingen, zie ook: De conquistadores: wereldveroveraars met oogkleppen. <LINK>
De stroom nieuwe ontdekkingen was even ingrijpend alsof wij nu zouden geconfronteerd worden met buitenaardse bezoekers vanuit de ruimte.


De cartografen van de renaissance, die deze stroom trachtten te kanaliseren in betrouwbare kaarten, combineerden de erfenis van de oudheid -de Geographia van Ptolemaeus- met de verhalen van de middeleeuwse reizigers en latere ontdekkers. Het imaginaire aspect sluit perfect aan bij wat al eeuwen gebruikelijk was op landkaarten en in reisverhalen.

Het Europese contact met vreemde volkeren verliep niet steeds als een eenrichtingsverkeer. Soms was er ondanks het Europese superioriteitsgevoel sprake van acculturatie, wederzijdse culturele beïnvloeding. De tentoonstelling stipt dit even aan met slechts twee, weliswaar bijzonder strategisch gekozen voorwerpen, een uit Afrika en een uit Mexico, het voormalige Aztekenrijk.

Cat. 47. Afro-Portugees luxe tafelsiervat



Ivoren zout- en pepervat. Zijaanzicht links en rechts, afbeelding van Portugese ruiters met vuurwapens.
Koninkrijk Benin Eerste helft 16de eeuw
Ivoor 19,2 x 7,2 x 8 cm - Antwerpen, Museum aan de stroom (MAS)


Bij hun stapsgewijze omvaart rond Afrika bereiken de Portugezen in 1486 het koninkrijk Benin (huidige Nigeria). Hier maken ze kennis met de kundige ivoorsnijders aan het koninklijk hof van de Oba. Voorwerpen als bovenstaande getuigen van deze ontmoeting.

Voor meer, zie onderaan: Duchateau, 1990;Mendes Pinto,1991 &
Martens, J., Ife en Benin: koninklijk brons


Cat. 48. De aanbidding van de koningen



Mexico ca. 1540-1550. Naar Antwerps prototype
Verenmozaïek op amatl-papier* en paneel
43,5 x 31 cm (middenpaneel), 43,5 x 16,5 cm (luiken).
Madrid, Museo de América.


In de Nieuwe Wereld gebeurt iets gelijkaardigs, maar hier doet zich zeer snel een andere vorm
van acculturatie voor, zowel in Mexico als in het voormalige Incarijk. Ook hier spelen schilderijen een vooraanstaande rol bij de missionering. Antwerpse prenten gaan fungeren als model voor talrijke geschilderde decoraties in kerken en voor schilderijen door plaatselijke kunstenaars.
In het Mexicaanse Texcoco richt de franciscaan Pieter van Gent (Pedro de Gante) een school op voor inheemse kunstenaars, die precolumbiaanse technieken kerstenen in functie van de geloofsverkondiging. Zij vervaardigen bijvoorbeeld schilderijen in pluimpjes, wat in Meso-Amerika gold als de hoogste kunstvorm. Dat er zo weinig voorbeelden van bewaard zijn, komt voornamelijk omdat de Spanjaarden er veel minder waardering voor hadden.

*Amatl: soort papyrus, maar steviger. Vervaardigd uit platgeklopte stukken van de binnenste bast van een vijgenboom.

Zie: Columbus achterna: een wereld van papier in het kielzog van de conquistadores


Cat. 50. Hartmann Schedel, Weltchronik, 1493, f° 12v - 13



Folio 12 verso van deze fraaie handmatig ingekleurde incunabel is een gedrukte kaart van Ptolemaeus, met links enkele exemplaren van fantasiewezens. F° 13 bevat aan weerszijden van de Latijnse tekst een kolom met een inventaris van de ‘monsterrassen’ fantasiewezens die de uithoeken der aarde bevolken.

Thomas More bezat een gedrukte wereldkaart van Ptolemaeus. Deze? Zoals bekend gebruikte hij een exemplaar van Schedels Weltchronik bij het schrijven van zijn Utopia. Voor zover men weet is Schedel de eerste die voor kaarten de drukpers gebruikte. De Latijnse uitgave van zijn kroniek bevat niet minder dan 1804 illustraties, gedrukt van houtsneden. Veel gereproduceerd is zijn beeld van het heelal, afkomstig van Aristoteles en later gekerstend door de kerkvaders. (Zie hiervoor ook hieronder: Vézelay, p. 12).

Jarenlang gebruikte ik in de lessen enkele (ongekleurde) tekeningen van de monsterrassen uit dit boek om de gebrekkige aardrijkskundige kennis van de middeleeuwen te illustreren, vergeleken met de klassieke oudheid, tot we ontdekten dat ze eigenlijk afkomstig waren van Plinius de Oudere (+ 79 n.Chr.) en zijn Historia Naturalis!
Opvallend dat ze de hele middeleeuwen overleven en voorkomen op en in bouwwerken, schilderijen en boekminiaturen.

Veel meer hierover in onderstaande bijdragen; voor de ‘monsterrassen’, voornamelijk het eerste artikel over Vézelay.
De Magdalenabasiliek te Vézelay en het middeleeuwse wereldbeeld.
Liber Floridus. 1121 De wereld in één boek.
De grootste Mappae Mundi.


Cat. 55. Pierre Desceliers,Wereldkaart (Mappa mundi)



Dieppe, 1550 - Perkament, 135 x 215 cm
Londen, British Library


Vervaardigd door de Normandische cartograaf Pierre Desceliers (ca. 1500-1568) als geschenk voor koning Hendrik II. Bestemd om horizontaal op een tafel te leggen: beelden en teksten draaien mee met de kijker rond de tafel. Onderaan op de kaart: La Terre Australle, Terra Australis. De catalogus suggereert dat dit door velen geïnterpreteerd wordt alsof Australië toen al ontdekt was, terwijl Willem Janszoon met het Nederlandse schip Duyfken pas in 1606 het continent bereikte en het Nieuw-Holland doopte. Helaas neemt de gratis app bij de tentoonstelling dit als vaststaand over. Het is onzin!
Van in de middeleeuwen nam men aan dat er een Terra Australis, een zuidelijk continent moest bestaan als tegenwicht voor de aardmassa’s in het noorden, om de aardbol in evenwicht te houden en te beletten dat de globe zou kantelen.

Wat de catalogus niet vermeldt: deze unieke kaart had de British Library op zijn minst zeer lange tijd niet meer verlaten. Waarschijnlijk was dit zelfs de allereerste gelegenheid. Het ontrollen van het perkament moest in Leuven zeer voorzichtig gebeuren en nam dagen in beslag.

Ter herinnering: ondertussen had Mercator in 1541 zijn spraakmakende aardglobe voltooid en een jaar na deze kaart zou zijn hemelglobe volgen (2).


4. Universum in de hand. Dromen van ruimte en tijd.

Intro: Op zoek naar utopische perfectie: bouwers van wetenschappelijke instrumenten – de ‘Leuvense school’

De Leuvense school van astronomische instrumenten was omstreeks 1550 toonaangevend in Europa wegens een perfect evenwicht tussen nieuw kosmologisch onderzoek, wetenschappelijke nauwkeurigheid, astronomische informatie en een uitzonderlijke elegantie in de uitvoering.
Typisch voor de Leuvense astronomen waren maritieme toepassingen zoals de mogelijkheid een koers uit te zetten voor een zeereis. Zowel de grondlegger, Gemma Frisius, als zijn student Mercator deden zowel theoretisch onderzoek als praktische toepassingen op dit gebied, o.m. door een perfectionering van het astrolabium.

Cat 59. Maarten van Heemskerck, Portret van Gemma Frisius (1508-1555).


ca. 1545
Olieverf op Paneel, 104 x 83,5 cm
Rotterdam, Museum Boijmans-Van Beuningen


Latijnse inscriptie op tablet, links van portret, onder leeuwenkop

LUX TENEBRIS RURSUS LUCI TENEBRE FUGIENTI SUCCEDUNT
STABIUS RES TIBI NULLA MANET

Na duisternis komt licht; op het vliedende licht volgt het duister,
Niets blijvends rest u


Pas in 1994 ontdekte Jan Roegiers, bibliothecaris van de KU Leuven, dat dit Portret van een anonieme geleerde het universele genie Gemma Frisius voorstelt. Frisius wijst naar een globe in de linkerhand. In plaats van landen of klimaatgordel zijn hierop de seizoenen en daarmee de verwijzing naar de leeftijden van de mens, de elementen en temperamenten afgebeeld. Hij beklemtoont zo het verband tussen de aardse microkosmos en de macrokosmische werkelijkheid. Alleen al om dit portret eindelijk te zien zou me een voldoende tweede reden geweest zijn om naar Leuven te reizen!

Gemma Frisius is in onze geschiedenis vooral bekend gebleven als helper van Vesalius bij nachtelijke tochten om het skelet van een gehangene binnen Leuven te krijgen. Hij had echter veel meer in zijn mars dan dat en is ten onrechte haast in de vergetelheid geraakt. Gemma Frisius (Juweel van Friesland) is een spilfiguur, een universeel genie. Hij studeerde aan de Leuvense universiteit vanaf 1525 en legde er de grondslag van de befaamde Leuvense school voor cartografie en instrumentenbouw. Frisius was een autoriteit op gebied van geneeskunde, wiskunde en astronomie. Uiteindelijk koos hij voor de geneeskunde en werd lijfarts van Karel V, maar ook daarin was er nood aan astronomie, omwille van de astrologie (toen nog als een volwaardige wetenschap beschouwd) en voor bepaalde behandelingen zoals aderlating, waarvan men geloofde dat er invloed was van de sterrenbeelden (3).

Hij telde onder meer de anatoom Vesalius, de botanicus Dodoens en de cartograaf Mercator onder zijn leerlingen, die allen veel beroemder gebleven zijn dan hun leermeester, tot onze tijd toe.
Frisius was waarschijnlijk de eerste aanhanger van Copernicus in de Nederlanden. Hij volgde met veel belangstelling diens werk, al jaren voor de publicatie van De Revolutionibus Orbium Coelestium (1543). Zijn persoonlijk exemplaar bleef bewaard in Leeuwarden, vol eigenhandige glossen (aantekeningen) in het Latijn.

Gemma Frisius overleed in 1555, 46 jaar oud, aan nierstenen. Boven zijn graftombe in de Leuvens Predikherenkerk hing zijn portret. Was het dit?

Aan Gemma Frisius is in 2008 een afzonderlijke tentoonstelling gewijd in de Leuvense universiteitsbibliotheek.
Zie: Roegiers, Jan (redactie), Meten en weten. Gemma Frisius 1508-2008, tentoonstellingspublicatie, Leuven, KU Leuven, 2008, 48blz.

Op diverse plaatsen in de Joos de Rijcke-site is het werk van Frisius en zijn connectie met zijn discipelen belicht o.m. in verband met zijn cartografisch werk. Raadpleeg darvoor de zoekfunctie op de openingspagina.


Cat 64. Jan Gossaert, Portret van een meisje met een armillarium, ca. 1530.


Meisje met armillarium (prinses Dorothea van Denemarken)
Olieverf op houten paneel, 38,2 x 29,1 cm
Londen, National Gallery


Dit is een van de allermooiste kinderportretten van de hele eeuw. Het beeldt een meisje af van 9 of 10 jaar, uit de allerhoogste kringen te oordelen naar haar kledij en juwelen. Het gaat om prinses Dorothea (1520-1580) van Denemarken, oudste dochter van Christiaan II en Isabella van Oostenrijk, zuster van Karel V (1500-1558).

Het ronduit prachtige portret van zijn dochtertje Dorothea fungeert als affiche van de tentoonstelling Op zoek naar Utopia en als omslag van de catalogus.
Haar vader is na onlusten afgezet in 1523. Zijn drie kinderen werden naar de Nederlanden gebracht en opgevoed aan het hof van hun groottante Margaretha van Oostenrijk (1480-1530) en na haar overlijden door hun tante Maria van Hongarije (1505-1558), weduwe van de Hongaarse koning Lodewijk (gesneuveld in 1526 in de Slag bij Mohacs tegen de Turken), zus van Karel V (1500-1558) en dus ook van hun moeder.

In haar linkerhand houdt Dorothea een armillarium ondersteboven. Met de rechterhand raakt ze een punt op de buitenste ring, op ca. 55 graden noorderbreedte, ongeveer de breedteligging van Kopenhagen. De omgekeerde hemelsfeer kan betekenen dat de wereld op zijn kop staat, omdat haar vader uit zijn koninkrijk is verdreven.

Over Christiaan en zijn belevenissen schreef Brigitte Raskin twee romans:
Hartenheer. Een koningsverhaal, Leuven, Van Halewyck, 2001, 255 blz.
& De gestolen prinses, Leuven, Davidsfonds/Infodok, 2009, 175 blz.

Meer over Margaretha van Oostenrijk: Dames met klasse

Cat 66. Gualterius Arsenius, Armillarium


Ptolemaeïsche armillaire sfeer
Leuven, 1573
Messing, hoogte 40 cm (voet inbegrepen), diameter 26 cm
München, Bayerisches Nationalmuseum


Gualterius Arsenius (1530-1580) is een leerling van Mercator en een neef van Gemma Frisius. En zo signeert hij de 2 armillaria van zijn hand op de tentoonstelling: een afkomstig van Chicago, het hierboven afgebeelde uit Munchen.

Dit is een pracht voorbeeld van de Leuvense school. Een armillarium is een driedimensionale voorstelling van ons heelal volgens Ptolemaeus. Dus geocentrisch, de aarde centraal in het midden, de sterren en planeten in de banden rondom. Het is een zeer duur en ingewikkeld instrument, het laat toe de bewegingen van de maan en de zon te volgen en de posities van 15 sterren. Merk het kompas in de voet, voor de correcte oriëntering.

Van Arsenius zijn nog 4 armillaria gekend.

Cat 71. Gerard Mercator, Astrolabium, ca. 1545



Astrolabium in messing, diameter: 27,8 cm
Door Mercator, ca. 1545. Voor Karel V? Zeer kostbaar. Vroegst bekende instrument van de Leuvense school. Tweedimensionale voorstelling van Ptolemaeus’ wereldbeeld. Toont het universum met de schijnbare beweging van de sterren boven een bepaalde breedtegraad. Voor elke breedtegraad moet een ander stel gegraveerde gegevens aangebracht binnen de verhoogde buitenste ring.



Zijkant van het Astrolabium met initialen van Mercator:GMR (Gerardus Mercator Rupelmondanus = van Rupelmonde). De betekenis van het monogram is pas ontcijferd in 1992.

Dit was 1200 jaar lang het meest gesofisticeerde astronomische instrument. Volgens de overlevering uitgevonden op basis van oudere theoretische principes door de wiskundige en neoplatonische filosofe Hypatia, door fanatieke christenen vermoord in 415 in Alexandrië. Werd in de middeleeuwen in Spanje overgenomen van de Arabieren. Frisius en Mercator brachten enkele verbeteringen aan: door een aantal losse rasters voor verschillende breedteliggingen konden hun astrolabia op veel meer breedtegraden gebruikt worden. Bovenstaand astrolabium meet bijna 30 cm in diameter, 3x meer dan vroegere toestellen, waardoor het gemakkelijker was af te lezen. Uniek voor de Leuvense school is het omzetten van astronomische theorieën naar elegant uitgevoerde modellen op mensenmaat. De instrumenten waren zeer gegeerd in heel Europa en werden verkocht via het kantoor van de beroemde drukker Plantin in de drukbezochte havenstad Antwerpen. Aan de bloei kwam een einde door de Tachtigjarige Oorlog en de inname van Antwerpen door Alexander Farnese in 1585.

Tot mijn verrassing vermeldt de catalogus hier en bij nr. 63, Mercators beroemde hemelglobe van 1551: “In het ontwerp van de hemelglobe toont Mercator dat hij de recente theorieën van Copernicus’ De revolutionibus (1543) reeds opneemt, maar het klassieke model van Ptolemaeus (ca. 150) blijft aan de grondslag liggen. Deze spanning tussen nieuw onderzoek en het grote respect voor de antieke kennis, is kenmerkend voor het werk van Mercator.”
En: “Zo was Mercator een van de eersten om de sterposities te bepalen volgens Copernicus en niet langer volgens Ptolemaeus.”
Hierover had ik graag wat meer vernomen, want voor mij was dat nieuw.

Voor Mercators aard- en hemelglobes van 1541 en 1551: zie de schitterende foto’s van het Mercatormuseum (St.-Niklaas) in Nieuw leven voor een oude atlas met een nieuw wereldbeeld. Gerard Mercator en de heruitgave van de Mercator - Hondius atlas uit 160, bij voorkeur de toegevoegde uitgebreidere versie van dit artikel in PDF.


Cat. 75. Pierre de Fobis, Mechanische astronomische sfeer


Pierre de Fobis (ca. 1507-1580), Mechanische astronomische sfeer.
Lyon ca. 1540-1550.Verguld brons, zilver en glas, hoogte: 53,6 cm, diameter van de aardglobe 8 cm, diameter van de hemelsfeer 15,2 cm, diameter van de buitenste sfeer met de coördinaten 16,5 cm - privéverzameling.

Dit meesterwerk van kennis en vakmanschap stamt uit dezelfde tijd dat Mercator aan zijn beroemde aardglobe (1541) en hemelsfeer (1551) werkte. Het is in meer dan één opzicht een uniek stuk, een der fraaiste en zeker meest complexe instrumenten van de hele 16de eeuw.

Drie Korinthische zuilen dragen een architraaf als basis voor de mechanische sfeer. Het aandrijfmechanisme is zichtbaar in een glazen cilinder tussen de zuilen. Bovenaan zit de mechanische sfeer met drie onderdelen (van binnen naar buiten): een centrale aardbol, waarrond een prachtige hemelsfeer zit, omgeven door een sfeer met astrologische coördinaten. Deze laatste sfeer is uniek en diende voor astrologische voorspellingen. De horizontale banden van de buitenste sfeer zijn de poolcirkels, de keerkringen en de evenaar. De fijne schuine lijnen tussen de keerkringen dienen om de ongelijke uren te bepalen. De hemelsfeer was de enige die roteerde: één omwenteling elke 23 uur en 56 minuten van oost naar west, aangedreven door het mechanisme tussen de drie zuilen.

Herinner u: in de 16de eeuw was er geen wezenlijk onderscheid tussen astronomie en astrologie. Kennis van de hemel en de bewegingen van de hemellichamen was nodig om met behulp van wiskunde de kaarten van de nieuwe ontdekkingen te kunnen tekenen. Van astronomie naar astrologie is maar een kleine stap. Ook Vesalius schreef een boekje over aderlaten en de invloed van de planeten op de menselijke constitutie (3). Een zwakke afschaduwing van dit geloof vind je tegenwoordig nog in de dagelijkse of wekelijkse horoscopen in onze dagbladen en tijdschriften .

Het opzet van de Fobis was, geheel in de geest van zijn tijd: de heropstanding van de antieke kennis en die overtreffen. Wat hij niet kon weten en de catalogus niet vermeldt: hij slaagde in zijn opzet, maar beter en anders dan hij bedoelde.

Mij gaf het alleszins een schok. Gescheiden door een ruimte/tijdkloof van meer dan anderhalf millennium verwezenlijkte de Fobis hetzelfde als een geniale vakman hem in het verre verleden had voorgedaan met de mysterieuze uit de oudheid stammende bronzen Antikythera-calculator, waarvan de werking door Cicero in De Republica (ca. 60 v.Chr.) aan dezelfde tekst van Archimedes wordt toegeschreven waarop de Fobis zich baseerde!
In een andere vormtaal weliswaar. De calculator zou in 1901, eeuwen na de Fobis, opgedoken worden uit een scheepswrak. Hij was door corrosie zo sterk aangetast dat er jaren voorzichtige behandeling nodig waren en er pas in 2006 door computerreconstructie een replica kon vervaardigd.

De astronomische sfeer van de Fobis blijkt tevens de miniatuuruitvoering te zijn van een astronomisch uurwerk, zoals dat in groot formaat in de kathedraal van Lyon reeds in de 14de eeuw gebouwd was en zoals ze her en der in heel Europa voorkomen. Om slechts enkele te noemen: Praag (1410); in Nederland: Franecker-planetarium en het astronomisch uurwerk van Lehr; in België: Zimmer in Lier en Festraets in St.-Truiden- het grootste ter wereld.

Veranderend wereldbeeld – veranderende kennis 16de – 21ste eeuw.

Even een vaststelling die buiten het kader van de catalogus springt.
Deze periode herontdekt een aantal antieke astronomische instrumenten en ontwikkelt nieuwe. Door die verrukkelijke nieuwe uitvinding, de boekdrukkunst, konden de geleerden hun ontdekkingen veel sneller en op veel grotere schaal verspreiden dan ooit tevoren in de geschiedenis, geholpen door hun gemeenschappelijke taal: het Latijn.

Een bloemlezing met het neusje van de zalm van gloednieuwe ontwikkelingen tref je op het schilderij van Hans Holbein, De Franse gezanten: Tijd en wereldbeeld (1533) .

De armillaria en vooral dan dat van de Fobis zijn zeer dure en ingewikkelde instrumenten. Ze vragen een interdisciplinaire lange opleiding (met kennis van wiskunde, astronomie ...) en veel oefening. Zelfs voor hedendaagse experts. En vooral: ze kloppen niet! Ze kunnen onmogelijk correct zijn! Wegens de inconsequenties van het aloude Ptolemaeïsche geocentrisme: de aarde als vaste centrum van het heelal, planeten en zon wentelend omheen de aarde. Daarbij volgen de banen van de planeten in werkelijkheid geen volmaakte cirkelvormige omwenteling, zoals men toen dacht. En kon men door dit foutieve axioma (geocentrisme) ook de omloop van sommige planeten, Mars bijvoorbeeld, niet adequaat berekenen. Het zou duren tot Johann Kepler (1571-1630) tegen veel weerstand van collega’s en christelijke kerken in, de ‘onvolmaakte’ ellipsvormige banen kon bevestigen. Het leek een aanfluiting van het goddelijk volmaakte heelal!

De befaamde Hollandse cartograaf Johan Blaeu (1596-1673) was de eerste om in 1648 een heliocentrische (de zon in het middelpunt) atlas uit te geven. Hiervoor steunde hij, zoals ook Kepler had gedaan, op de resultaten die de Deense astronoom Tycho Brahe (1546-1601) na vele jaren observaties had bereikt in zijn observatorium op het eiland Hven. Zijn observaties waren honderd keer nauwkeuriger dan eerdere waarnemingen. Op te merken: Brahe ging nog steeds uit van de volmaakte cirkelvormige banen der planeten.
Welke gigantische instrumenten Brahe had ontwikkeld geeft Blaeu weer met niet minder dan14 gravures in zijn prachtige wereldatlas uit 1662,ongetwijfeld gebaseerd op de tekeningen van zijn vader Willem, die in 1596-97 lange tijd bij Brahe had gestudeerd.

In een vorig (Vlaamse) leerprogramma aardrijkskunde behoorde kosmologie tot de leerstof voor het 4de jaar voortgezet onderwijs. Om dit stukje te schrijven heb ik voor alle zekerheid een Algemene Wereldatlas editie 2012 bijgehaald. Op amper één grote dubbelpagina geeft die alle essentiële gegevens over aarde, planeten en heelal begrijpelijk, visueel en correct weer. En bovendien kan hij verbonden worden met het internet voor aanvullingen.

Bovenstaande is een poging om te verduidelijken hoe achteloos en vanzelfsprekend wij door de technologische vooruitgang kennis benutten, waarvan het moeizaam verwerven mensenlevens lang zware studie van vele geniale geesten heeft gekost. Dat geldt bijvoorbeeld zowel voor Mercator als voor de astronomische wetenschap van Copernicus of de anatomische van Vesalius (wiens De humani corporis fabrica (Over de bouw van het menselijk lichaam) in hetzelfde jaar 1543 gedrukt werd als De revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen van de hemellichamen), het postume levenswerk van de Poolse sterrenkundige).


Eeuwigheid: de tijd verbeeld.


Cat. 73. Simon Bening, Hennessy-getijdenboek, Brugge ca. 1535


Simon Benin, de maanden januari en november
Tempera, goudkleur en bladgoud op perkament,11,7 x 87 mm,
Brussel Koninklijke Bibliotheek van België


Verbaasd een handgeschreven getijdenboekje te treffen uit ca. 1535? Was de boekdrukkunst dan niet uitgevonden door Gutenberg, ongeveer een eeuw vroeger?
Natuurlijk wel.
In deze laatste periode van het handgeschreven boek, waren verluchte getijdenboeken op perkament ideale pronkstukken voor adel en rijke burgerij. Ook voor buitenlanders, die in Brugge verbleven waren dergelijke kleinoden zeer gegeerde kostbaarheden. Dit is letterlijk te nemen, ook toen al. De waarde van het boekje, nauwelijks groter dan een pakje sigaretten (maar wel veel dikker), is letterlijk onschatbaar!

Het getijdenboek wordt beschouwd als een meesterstuk uit het werk van Simon Bening (1483-1561), ‘de laatste grote miniaturist’.Op de tentoonstelling lagen de losse bladzijden met de maanden januari, maart, mei, juli, september, november. Dat betekent dat het manuscript nog niet opnieuw is ingebonden. Davidsfonds Leuven maakte van deze buitenkans gebruik om in 2015 een facsimile uit te brengen op perkamentpapier.

Getijdenboeken hebben eigenlijk een religieuze functie. Maar vermits het kerkelijk jaar ieder jaar terugkeert in dezelfde volgorde, past dit uitstekend in de traditionele opvatting van de tijd, gezien als een eeuwigdurende cyclus. Daarom worden de religieuze teksten en afbeeldingen steeds voorafgegaan door een reeks bladzijden met de activiteiten van de maanden, verbonden met de tekens van de dierenriem. Wat dan weer aansluit bij de astrologie, die we reeds ontmoetten bij de astronomische instrumenten. Ook dit is een eeuwenlange traditie die je evengoed gebeiteld in steen terugvindt op timpanen van kathedralen. Zie hiervoor: De Magdalenabasiliek te Vézelay en het middeleeuwse wereldbeeld.

Bij de illustratie van de maand november komt zowel in de catalogus als de audio een vrij grove lapsus voor. Waarmee zijn die mannen aan het schieten? In de tekst wordt gesproken over handboogschutters. Afgebeeld zijn uiteraard kruisboogschutters.

Meer hierover in
Landbouw: gebonden aan de seizoenen een bespreking van de tentoonstelling De Vier Jaargetijden in de kunst van de Nederlanden, 1500-1750, de laatste die we in 2002 bezochten in het oude Stedelijk Museum Vander Kelen-Mertens (Leuven), voor het omgebouwd en uitgebreid werd tot het grandioze Museum M.


Vlaamse miniaturen 1404 – 1482, met daarin de links naar gelijkaardige tentoonstellingen

En op de Joos de Rijcke - site, ‘Eeuw Joos’, Handschriften en Boekdrukkunst, hierin onder veel meer de link naar Vlaamse minikunst.

Een uitstekende adolescentenroman over Brugge in de 16de eeuw, de laatste miniaturisten en de opkomende boekdrukkunst: Lieve Hoet, Tanne en ik, vzw Scriptomanen, 2014, 306 blz. – ook als e-boek.

Meer informatie – didactische tips

Zie bij de bespreking van Joris Tulkens, Thomas More. Een leven in vijf vriendschappen. 

Hieronder vooral werken, betrokken op de internationale situatie die in amper een paar tentoongestelde voorwerpen exemplarisch is aangestipt.

BOOM, H, De Grote Turk. In het voetspoor van Süleyman de Prachtlievende (1494-1566). Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2010.
Bijlage (in PDF): Europa tegen de Turken

CLAES, J. e.a., Sanctus. Meer dan 500 heiligen herkennen, Leuven, Davidsfonds, 2002, 2de druk, 320 blz. <

DUCHATEAU, A., Benin. Hofkunst uit Afrika, Brussel, Gemeentekrediet, 1990.

MENDES PINTO, M. (redactie) e.a. Via Orientalis. Europalia Portugal 91, Brussel, ASLK-Galerij, 1991, p. 61-94.

Martens, J., Ife en Benin: koninklijk brons, in: De conquistadores: wereldveroveraars met oogkleppen.

NOTEN

1. Precolumbiaanse culturen uit Meso-Amerika. Zeer uitgebreide PowerPoint presentatie met begeleidende tekst. De syllabus bestaat uit drie delen, de Azteken, Teotihuacan: stad der goden, navel van de wereld en Maya, kinderen van de tijd. De tekst kan tevens in een Wordversie gedownload.

Middeleeuwen: De Coene, K., De Reu, M. & De Maeyer, Ph. (ed.), Liber Floridus 1121. De wereld in één boek, Tielt, Lannoo, 2011, 191 blz.

Nieuw leven voor een oude atlas met een nieuw wereldbeeld. Gerard Mercator en de heruit-gave van de Mercator - Hondius atlas uit 1607
Een uitgebreidere versie dit artikel met recente aanvullingen is in PDF toegevoegd. De eerste versie was de Europese bijdrage op een internationaal colloquium in 2012 over Mercator en zijn tijd in Seoul, Korea.

Aldersey-Williams, H., Anatomie. De ontdekking van het menselijk lichaam. Amsterdam: Uitgeverij. Thomas Rap, 2013, 381 blz.

Lyons, Jonathan, Het huis der wijsheid. Hoe Arabieren de westerse beschaving hebben beïnvloed, Amsterdam, Bulaaq - Antwerpen, EPO, 2010, 335 blz.

Een groot deel van de teksten van deze artikelen is gebaseerd op Waldseemüller en de geboorte van ‘America’, Joos de Rijcke-site.

Neil MacGregor, Shakespeare’s rusteloze wereld. Een verrassende geschiedenis in twintig voorwerpen, Amsterdam, Hollands Diep, 2016, 336 blz.


De Magdalenabasiliek te Vézelay en het middeleeuwse wereldbeeld.
Liber Floridus. 1121 De wereld in één boek.
De grootste Mappae Mundi.


2. Nieuw leven voor een oude atlas met een nieuw wereldbeeld. Gerard Mercator en de heruitgave van de Mercator - Hondius atlas uit 1607.

Meer over geschiedenis van de cartografie: deel I, De wereld in Kaart, in: Waldseemüller en de geboorte van ‘America’ (2003-04).

Lester, T., Het vierde werelddeel, Amsterdam, Mouria, 2009, 519 blz.

Thomas, W. & E. Stols (red.), Een wereld op papier. Zuid- Nederlandse boeken, prenten en kaarten in het Spaanse en Portugese wereldrijk (16de - 18de eeuw), Leuven - Den Haag, Acco, 2009, 479 blz. &


3. Astrologie: zie in Mercator over Gemma Frisius & in Shakespeare’s rusteloze wereld over John Dee. 


Jos Martens, Januari 2017







 


 

  •  

    u